Categorie archief: Filosofische overpeinzingen

Identiteit en euthanasie

Het nieuws ging de voorbije dagen de wereld rond, en ook de dovengemeenschap wereldwijd staat in rep in roer door de in het begin nogal ongenuanceerde nieuwsberichten  dat twee doofblinde tweelingsbroers euthanasie verkozen boven een verder leven in isolatie (voor een vrij volledig overzicht van de artikelen in Vlaamse media, zie hier). Ook in buitenlandse media – die vaak al even ongenuanceerd het nieuws overnamen van hun Vlaamse collega’s –  kwam het onderwerp vrij prominent ter sprake, aangezien het de eerste keer was ooit dat een tweeling ervoor koos om op hetzelfde moment te sterven).  Ik zat erbij, en keek naar de wildgroei aan (meestal emotionele) argumenten op facebook en andere sociale media dat doofblinden wél een goed leven kunnen hebben, wél recht hebben op leven, wél wél wél.  Terwijl uit de eerste artikelen die over het onderwerp verschenen, eigenlijk weinig feitelijke en juiste informatie te halen viel om te kunnen oordelen over hun eigen keuze.  Zo is de dagen nadien ook gebleken: de dove broers hadden wel wat meer “problemen” dan enkel doof en toekomstig blind; beide broers hadden ruim hun deel van de koek gehad op het vlak van fysiek labeur en afzien.

En zo bleek ineens de atmosfeer op de sociale fora om te slaan, en werd de media het doelwit.  Ook de Federatie die alle Vlaamse dovenverenigingen vertegenwoordigt, Fevlado, liet in een opiniestuk  weten dat de media ook maar eens aandacht mochten gaan hebben voor een sociale benadering van de situatie, in plaats van steeds opnieuw op dezelfde medische nagel te kloppen en de daarbij horende terminologie te hanteren.

Het geeft me allemaal een onbevredigend gevoel.  Ja, de media hebben een hoop schuld aan de foute beeldvorming.  De terminologie kan (veel) beter, het onderzoek een stuk nauwgezetter, het artikel een stuk genuanceerder.  Ja, de broers hadden in dit land recht op euthanasie.  Mensen hebben in dit land wettelijk het recht en de mogelijkheid om in zulke situaties uit het leven te stappen, en we geven hen daar meestal ook gelijk in, net zogoed als wij een groot respect hebben voor mensen die ervoor kiezen om hun lijden waardig te blijven dragen. Maar de wet in België (die ongezien progressief is in vergelijking met de wetgeving in de rest van de wereld) laat echter ook een deur open voor mensen die wensen te sterven, niet omwille van een fysiek, maar omwille van een psychisch lijden.  Personen die reeds jaren, om niet te zeggen decennia, lijden aan een langdurige en uitzichtloze depressie en bij wie alle mogelijke behandelingen niet het verhoopte resultaat met zich meebrachten, hebben dan – als er tenminste 3 geneesheren unaniem hun toestemming geven na een langdurig begeleidingsproces – eveneens de kans om menswaardig uit het leven te stappen.  De notie ‘psychisch ondraaglijk lijden’ wordt niet expliciet uitgelegd in de wet, wat dus kan zorgen voor onverwachte “gebruikers” van die wet, zoals in dit geval dus twee dove mannen die heel wat fysieke ongemakken hadden en binnen afzienbare tijd blind zouden worden.  Zij kregen van de geneesheren groen licht, omdat deze artsen, afgaande op het verhaal van deze twee mannen, geloofden dat het toekomstig leven van die broers voor hen een ondraaglijke mate van psychisch lijden met zich zou meebrengen.

Maar eigenlijk gaat het daar voor mij in deze hele discussie niet eens om.  Voor mij zit de baseline van dit verhaal veel dieper.  Euthanasie is erg existentieel thema, die ons raakt in het diepste van wie we zijn: wanneer vinden we onszélf oké genoeg om het leven de moeite waard te vinden?  En hebben we het recht om, als we ons eigen leven niet waardevol en kwaliteitsvol genoeg vinden, zelf over ons eigen levenseinde te beslissen?  Want ik wil toch even met klem benadrukken dat euthanasie uitgaat van de eigen vraag van de persoon zélf.  Er is geen sprake van enige vorm van moord of schending van mensenrechten, deze tweelingbroers hebben zélf beslist, autonoom, dat ze hun leven niet oké meer vonden.

Wie oordeelt over het menswaardige van iemand anders’ leven, oordeelt ook altijd over zijn of haar eigen bestaan.  Want natuurlijk kunnen doofblinden een schitterend leven hebben en een bijdrage leveren aan de maatschappij en aan de gemeenschap.  Maar wij mensen botsen hier op de grenzen van ons mens-zijn: we kunnen ons maar tot op een bepaald niveau inbeelden hoe het is om de ander te zijn, of die nu moslim is, of een persoon met één of andere handicap (of een resem tegelijk) of de tiener die we morgen kruisen op straat.  Voor mij, volwassen dove, is doofzijn geen issue meer, laat staan een medisch gebrek, maar de gedachte blind te worden, maakt me zeer nerveus.  Maar ik weet ook dat er doven rondlopen die van dat doofzijn wél een groot thema maken, en lijden onder hun niet kunnen horen.  Zo ook zijn er doofblinden die hun identiteit hebben kunnen losrukken van een al te medische benadering (onder andere dankzij een grotere toegankelijkheid door de enorme technologische vooruitgang van de voorbije jaren), en doofblinden die daar niet in slaagden, zoals de broers Verbessem.

Daar heeft de maatschappij een grote verantwoordelijkheid.  Maar dat is een strijd die op zeer lange termijn gevoerd moet worden, en waarvan doven zich soms afvragen of we, ondanks de formele verwezenlijkingen zoals de erkenning van de Vlaamse Gebarentaal en het bekijken van TV-programma’s met ondersteuning van (Het Journaal) of in (See Hear op BBC), eigenlijk wel een stap verder geraakt zijn, als journalisten ondanks tientallen lezersbrieven nog altijd spreken over de “doofstomme”, de “allochtoon”, “de gehandicapte”,… of als “serieuze” artikels in “serieuze” kranten noodzakelijke aanvullende informatie voor een juiste beoordeling van de situatie gewoon niet eens vermelden.  De verschillende overheden hebben dan ook een grote taak om de samenleving blijvend te sensibiliseren over andere culturen en minderheidsgroepen.  Van jongsaf aan moet in het basis- en secundair onderwijs dan ook veel meer aandacht uitgaan naar morele opvoeding, de psychologie van de ander, antropologie en het leren samenleven met en erkennen van andere culturen.  Want mensen, ook doven zelf, zitten vaak nog vast in het negatieve straatje van “wij” en “de ander”, waarbij iemand die gewoonweg om één of andere reden anders is, daardoor negatief wordt benaderd.   En de basis daarvan ligt dus in het onderwijs.  Tegenwoordig is de kans dat je in een monoculturele klas zit, zo goed als nihil.  En door een te ver doorgeschoten medicalisering van kinderen zit er waarschijnlijk ook nog iemand bij met dyslexie, leerproblemen of andere ADHD’s.  Maar wat leren de kinderen er écht over hun medeklasgenootjes?  Maakt dat een wezenlijk deel uit van het klasgebeuren?

Alle culturen en handicaps hebben recht op een eigen positieve identiteit, en die komt niet enkel uit henzelf, maar wordt hen ook door alle mogelijke kanalen in de samenleving aangereikt, waarvan het onderwijs waarschijnlijk de belangrijkste is.  Een verdiende tweede is de media, en die heeft, zo blijkt na jaren waarbij verschillende belangengroepen hebben geijverd voor juiste beeldvorming, zeker ook nog wel wat te leren.  En natuurlijk mogen we ook het gezin niet vergeten.  Maar het gezin, zoals al gezegd, is zelf ook onderhevig aan de invloeden van de eigen maatschappij, en neemt de beeldvorming evengoed al te vaak over.  We doen het allemaal. Maar dat diepe instinct binnen in ons, ons ingepraat door de evolutie, de angst voor de ander, zou in een beschaafde samenleving op lange termijn geen plaats meer mogen hebben.

De lange termijn is dus één, de korte termijn is iets volledig anders.  De wereld loopt vol met mensen die om één of andere reden in die mallemolen van indrukken die de wereld is, een negatieve identiteit hebben ontwikkeld en niet gelukkig meer zijn met zichzelf en hun plaats op deze wereld.  Een zeer kleine minderheid daarvan wenst ook effectief een einde te maken aan zijn of haar psychische lijden.  Zolang die gelijkheid er niet is, zolang mensen in deze samenleving de kans niet krijgen om volwaardig te kunnen zoeken naar een positieve identiteit voor zichzelf, zal een kleine minderheid gebruik willen maken van die ene, laatste stap.  En wie zijn wij om daar nee tegen te durven zeggen?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Deaf/Deafhood, Ethica, Filosofische overpeinzingen

Roosje

Ook met verbazing naar de heisa gekeken rond een reportage van de RTBF over Marie-Rose Morel?  Voor wie niet op de hoogte is: klik hier.  De RTBF wordt verweten op een partijdige en mensonwaardige manier gekeken te hebben naar de begrafenis van mevr. Morel, ex-Vlaams Belangpolitica en onlangs overleden aan kanker en voorbije zaterdag begraven in de Antwerpse kathedraal.  Enfin, begraven, een begrafenismis gekregen.

Ik moest er toch even over nadenken.  De voorbije maanden, toen duidelijk werd dat Marie-Rose Morel de strijd tegen de voortwoekerende kanker definitief verloren had (de hoop op een medisch mirakel niet te na gesproken), leek het land zich voor te bereiden op een rouwfase: roddelboekje na kwaliteitskrant besprak de moedige strijd van “Roosje” en haar politieke verleden deed ineens niet meer ter zake.  Diezelfde media hebben haar echter ook jarenlang duidelijk benaderd vanuit haar extreem-rechtse sympathieën.  We moeten een kat een kat noemen: mevrouw Morel wàs xenofoob.  Het feit dat ze jarenlang binnen de partij, tot in de hoogste organen, functioneerde, bewijst dat voldoende.  Ze had behoorlijk rechtse ideeën.  En voor het verhaal van de kanker de buitenwereld bereikte (in twee delen zelfs, toen bleek dat het venijn zich tijdens de eerste behandeling kranig had geweerd) plaatste ik Morel evengoed waar ik met velen vond dat ze thuishoorde: ergens achterin in mijn geheugen, geklasseerd bij “niet geschikt om op te stemmen”.

En toen had het beest haar te pakken en bleek heel duidelijk voor ons, Vlamingen, de uiteindelijke relativiteit van het politieke bestaan: het is een méns, verdorie. Weliswaar één met volgens mij weerzinwekkende ideeën, maar de dood is een categorie waar weinig tegenop kan.  We leefden dus allemaal een beetje mee bij het lezen over haar lijdensweg en de strijd om haar kinderen.  En zelfs Frank Vanhecke, nota bene de voorzitter die het Vlaams Belang geleid heeft tijdens haar hardste, meest extreem-rechtse campagnes (de bokshandschoenen, iemand?)… zelfs hij wordt opeens, behalve politicus, een mens.  En met mensen die lijden kan men meestal niet anders dan meeleven.

En dat is meteen ook de reden waarom er zoveel heisa is rond de RTBF-reportage.  En het illustreert eigenlijk ook hoe ver onze leefwereld afstaat van die van onze franstalige landgenoten.  Want zij hebben in hun boekskes en kranten geen aandacht aan haar niet-politieke leven besteed. Dat doen wij zelf ook amper bij de franstalige politici.  Ik heb nog nooit het interieur van een Waalse politicus vanbinnen gezien (remember Rik Daems met zijn protserige villa) of een gedetailleerde niet-politieke levensgeschiedenis onder ogen gekregen over deze of gene gestorvene politicus bezuiden de taalgrens.  Wel een korte politieke biografie, af en toe ook wat beelden op TV als het een héél belangrijke meneer of mevrouw was.  Maar of ze aan kanker dan wel aan ouderdom of verveling gestorven zijn, en of ze een zware vechtscheiding of een prinselijk leven achter de rug hebben… vaak maar enkele lijntjes in de marge waard in onze kranten (en al helemaal niet in onze boekskes die bol staan van bleke artiesten en hun persoonlijke miserie of geluk).

We maken ons dus eigenlijk druk om iets dat niet te vermijden valt, in een bijzonder land met twee culturen die elkaar gewoon niet meer willen leren kennen.  Wie leest hier de Paris-Match?  La Dernière Heure? Kijkt wel eens naar Le Journal of zelfs maar naar le Week End Sportif op de RTBF?  Mag ik denken dat het een minderheid van jullie betreft?  Vanuit hun standpunt,maakt het privéleven van Marie-Rose Morel dus maar weinig uit, voor hen gaat het om de politica.  En op dat vlak waren ze denk ik best wel correct, behalve dan wat het verzwijgen/vergeten betreft van het feit dat ze in onmin leefde met de huidige partijtop.

Je zou eventueel wel kunnen aankaarten dat die reporters beter hadden moeten weten: zij worden geacht wél de media van het andere landsgedeelte uit te pluizen om op de hoogte te blijven van relevant nieuws.  Dat is dan wel waar, maar ze geven daarvan maar héél weinig door aan hun eigen publiek, waarschijnlijk grotendeels door economische motieven: de persoonlijke wedervarens van onze franstalige landgenoten interesseert ons te weinig, en verkoopt dus niet.  Of niet genoeg.  En ook reporters moeten naar hun broodheren luisteren.

En voor wie hieruit wil afleiden dat het daarom maar beter is dat we splitsen: deze discussie staat daar volledig los van (landen genoeg waar het samenleven van verschillende taalgroepen en culturen wel lukt. Zie Zwitserland).

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofische overpeinzingen, Politiek

Het is genoeg geweest

Vandaag erger ik mij rot.  En dat heeft met de polletiek te maken.  Het aantal dagen dat dit land al zonder verkozen en met volheid van bevoegdheden functionerende regering zit, is te beschamend om neer te schrijven. Eén dezer weken breken we het wereldrecord land-in-onderhandeling-zijn.  Serieus.

De voorbije jaren hebben we de gestage opmars van de NV-A mogen meemaken, en de verkiezingsresultaten van juni vorig jaar gaven hen een verdiende plaats aan de onderhandelingstafel. Langs Franstalige zijde (wat ook maar raar is, want wat dan met de Duitstaligen, ook al zijn die nog met zo weinig) maakten de resultaten de PS incontournable.  Maar om iet of wat staat hervormd te krijgen, is een meerderheid nodig van 66%.  Da’s veel volk, en dus moest een bont allegaartje van zeven partijen aanschuiven aan tafel.  Alle mogelijke kleuren van het politieke spectrum: rood, geel, groen, oranje.  Samen geeft dat naar ik mij herinner uit de kleuterklas, een soort strontkleur.

En dat is wat we stilaan voor onze ogen zien gebeuren… een strontgedoe.  Het hele politieke spel kan de mensen steeds minder boeien.  Alleen een paar onderhandelaars die bang voor hun eigen schaduw aan symbolengevechten doen die zo uit Don Quichot kunnen komen blijven noestig verder boksen, opgejaagd door een bloed ruikende persmeute (moest dat nu écht, die nota lekken? en moest er daarom per se over geschreven worden?).  Hun ideologie, en de angst voor hun achterban, verlamt beleidsmakers tot beleidsafwachters.   Als Van de Lanotte per koerier de langverwachte nota laat rondbrengen met de vraag om alstublieft tegen woensdagmiddag iets te laten weten, en dan laten slechts twee partijen voor dat tijdstip iets weten.  Het is een teken aan de wand. En uiteindelijk blijken slechts twee partijen bereid om er gewoon voor te gaan, na al dat zware en oh zo gevoelige aftoetsen, afbakenen, nuanceren en repeteren van de voorbije maanden.

Dan word ik boos.  Dan word ik woedend.  Op hen allemaal (behalve, ere wie ere toekomt, Groen, die de noodzaak en hoogdringendheid lijkt in te zien van de hele situatie en dus ook vrij snel gehoor gaf aan de oproep van Van de Lanotte.  SPa volgt de nota om evidente redenen), die polletiekers die wel zeggen te weten wat er onder hun kiezersvolk leeft, maar ondertussen vergeten dat er nog altijd véél meer mensen niet voor hen gestemd hebben.  Het mag zo bvb wel zijn dat de NVA in Vlaanderen bijna 28% van de stemmen haalde, ze konden in Vlaanderen dus ook 72% van de kiezers niet overtuigen. En op nationaal vlak in verhouding nog veel minder.  En voor de PS la même chose.

Waar halen ze verdorie het recht vandaan om de financiële toekomst van dit land op het spel te zetten?  We zijn voor zover ik me heb geinformeerd het enige, het énige land in de Europese Unie dat nog geen duidelijk en officieel plan heeft over hoe ze de crisis zullen aanpakken, bij gebrek aan bevoegdheden voor de huidige regering van lopende zaken.

Ik kan me prima voorstellen dat bepaalde partijen en strekkingen vinden dat dit land in haar huidige vorm niet functioneert zoals het zou kunnen en moeten.  Zoiets vraagt tijd om ideeën te laten rijpen, gedegen en onderbouwd denkwerk en vooral samen praten en aftoetsen met anderen, met respect voor diens standpunten. Zaken dus die in de politiek van de twintigste eeuw werden beschouwd als eigenschappen van een goed politicus.  En wat hebben we de voorbije 207 dagen zien passeren?  Onderhandelingen, lekken, angst voor de eigen kiezer (een kiezer die, als een regering gevormd wordt en haar termijn volmaakt, BHV in 2014 de plaats heeft gegeven die ze verdient in de geschiedenis, nl. die van voetnoot) en hopen gesprekken in alle vormen en maten.  Met sinds september één constante: nooit met alle zeven partijen samen rond één tafel.

De tactiek van Van de Lanotte was er één van die twintigste eeuw.  Ze heeft blijkbaar niet gewerkt, want partijen blijven bang.  En dat is niet voor te stellen, want in de Wetstraat is vier jaar een eeuwigheid.  Ik weet best wel dat bij al die partijen grote ideologische motieven meespelen en dat het de NV-A zogezegd (tot grote verbazing van Di Rupo, zo las ik in de gazet) niet echt om de macht te doen zou zijn, maar om de verandering.  Maar die verandering die zij willen, is te hoog gegrepen voor de geesten in Wallonië.

En veel stemmen gaan ze in 2014 niet verliezen aan het feit dat ze bepaalde zaken niet hebben kunnen waarmaken.  In 2014 worden de verschillende partijen afgerekend op hun resultaten op het vlak van sociale zekerheid, justitie en het op orde krijgen van de financiële huishouding van dit land.  En dat ze er nu niet mee afkomen dat het net die huishouding is die het allemaal zo moeilijk maakt.  Ze hebben al veel te veel dagen de kans gekregen om er zoveel mogelijk uit te halen (en het vaak nog gekregen ook!).  En die ideale staat die al die partijen willen, die komen wel, na nog twintig staatshervormingen.  Nu mag ook, maar dan vooruit met de geit, verdomme!

Dat ze daar eens akte van nemen en een keuze maken.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofische overpeinzingen, Politiek

Kerstmis

Het is opnieuw zover, Kerstavond en Kerstmis staan voor de deur. En dat brengt herinneringen naar boven.

In mijn kindertijd gingen broer en ik elk jaar samen met onze ouders naar de middernachtmis in onze parochie, waar de kerk steeds sfeervol versierd was, verlicht met kaarsen en, wat het meest tot de verbeelding sprak, een kerststal.  En ooit, lang geleden, heb ik het kindeke Jezus in zijn kribbeke mogen leggen. Negen jaar of zo, was ik.  Waar ik die eer aan te danken had, weet ik ook niet. Voor zover ik me kan herinneren heeft de pastoor de jaren nadien het kindeken steeds zelf op zijn slaapplek gelegd. Ik zal toen iets fout gedaan hebben, zeker?  Voor de rest heb ik aan de kerk als praktijk  helaas niet bepaald fantastisch te noemen herinneringen. En dat is niet zozeer aan de kerk zelf te wijten (allemaal heel sympathieke mensen, en die parochie “hing” ook wel aan elkaar zodat je altijd wel bekenden op straat tegenkwam die wisten wie ik was) want kritisch nadenken over dat hele gedoe was er voor mij in die tijd nog niet bij.

U moet weten, in de hele periode dat ik naar de kerk meeging met mijn ouders (tot iets na mijn plechtige communie, denk ik), heb ik me daar uren vréselijk verveeld. Tja, een gebarentolk kende ik in die tijd nog niet en zelfs als ik die in de buurt zou hebben gehad, betwijfel ik of mijn interesse in de liturgie zoveel groter was geweest. Maar soit, om de verveling te verdrijven heb ik door de jaren heen verschillende opties overwogen: op stap gaan door de kerk heen, de aandacht van de zwijgende massa afleidend van opnieuw een preek, tot mijn moeder me uiteindelijk te pakken kon krijgen op het altaar, waar ik post had gevat naast meneer pastoor.  Of tijdens de liedjes (en er waren er nogal wat, en  de teksten -zéér modern in die tijd – werden geprojecteerd op de muur) extra hard beginnen zingen, heel goed wetende dat mijn stem op geen kl*ten trok en zo opnieuw de aandacht naar me toe trekkend.  Of de mensen rondom mij bestuderen: kleding, kleine en grote maniertjes, andere vervelende kinderen hardhandig tot de orde geroepen zien worden, noem maar op.  Of zelf de daad bij het woord voegen en mijn broer irriteren, tot grote ergernis van ma en pa. Of, als het heel erg meezat, stripverhalen lezen (al ging daar dan elke keer weer een hele hoop tijd naar het overtuigen van mijn ouders, die vonden dat dat niet zomaar kon, in een kérk nog wel! Blub.)

Frappant hoe snel de tijd vliegt. De vorige eindejaarsfeesten lijken nog maar net voorbij, en mijn eigen kindertijd is even, als ik mijn ogen sluit, weer heel reeël.  En daar staan we dan weer voor een berg voedsel die opgesmuld moet worden, bij voorkeur met smaak. Sommige dingen veranderen nooit.

Of toch… De cadeautjes liggen onder de bomen, de boom staat er en de verlichting is op het oogverblindende af.  Maar de meeste kinderen (en hun ouders vermoedelijk evenmin) hebben geen flauw idee meer waar Kerstmis zijn oorsprong vond.  Gelovig ben ik allang niet meer, maar bepaalde tradities, en dan vooral de verhalen die eraan ten grondslag liggen, zijn hoe dan ook gewoon mooi.  Er zou trouwens echt wel werk gemaakt mogen worden van het officialiseren van de feestdagen van de andere erkende religies. Scheiding van Kerk en Staat, iemand?  Als je het de ene gunt, gun je het een ander ook, praktische bezwaren ten spijt.

Ik kijk ernaar uit om later aan mijn dochter uit te leggen waar al die feesten en religies vandaan komen. Alleszins niet van de Kerstman, die we aan Coca-Cola te danken hebben…

Ons gezinnetje wenst elke lezer van deze blog, en alle andere mensen op deze wereld, van welke gezindte ook, een waardevol nieuw jaar!

2 reacties

Opgeslagen onder allerlei, Filosofische overpeinzingen

En onze toekomst?

Ik weet het, tegenwoordig blijven de pagina’s van mijn weblog te lang onaangeroerd, maar sinds vorige week maalt er in mijn hoofd het één en ander rond dat ik nu toch echt even kwijt moet.  Voor heel wat mensen is het helaas nog een ver-van-mijn-bed-show, maar wat de heren en dames wereldpolitici in Kopenhagen voor elkaar hebben gebracht, is de schaamte voorbij.  Een intentie… meer hebben ze niet kunnen vinden na een volle week van wetenschappelijk materiaal en oeverloos vergaderen. En de grote namen, die lieten pas hun gezicht zien op het einde van de klimaattop, toen de tijd compleet ontbrak om nog wezenlijke vooruitgang te kunnen boeken.  Geflopt, heet zoiets.  En dat terwijl er meer dan genoeg reden is om ons stilaan grote zorgen te gaan maken over onze toekomst en die van onze (klein)kinderen.

Dag op dag zeven maanden geleden floepte mijn dochter Isobel de vrije buitenlucht in.   Haar eerste ademteugen, waarbij ze gulzig aan haar nieuwe reflex tot binnenzuigen van die onzichtbare lucht voldeed,  waren zonder twijfel een stuk ongezonder dan ze had verdiend.  Vandaag is ze zeven maanden oud, en ik betrap me er meer en meer op dat bepaalde gebeurtenissen in de wereld me nog harder raken dan vroeger.  De klimaatproblematiek is er daar één van.  Want het zijn mijn dochter en mijn (hopelijk) latere kinderen aan wie de erfenis van het marktkapitalisme  zal moeten doorgegeven worden.

We weten allemaal wel dat het de economie is die de wereld doet draaien.  Er wordt gekocht, verkocht, en winst of verlies gemaakt. Bedrijven komen omdat ze kansen zien liggen en gaan nadat ze hun rol hebben gespeeld ten onder in de financiële draaikolk van de marktwereld. Ook hele landen en ideologieën hebben dit de laatste jaren beseft, en gebruiken de markt maar al te graag voor eigen gewin.   En waar zitten we nu?

Na 150 jaar indoctrinatie zijn we nu volledig in de ban van het “hebben”, en niet langer van het “zijn”.  We worden op elk moment van ons leven gebombardeerd met de plicht tot consumeren.  We zijn omringd door deze grote “markt” van multinationals, elkaar beconcurrerende overheden en individuen, die elk vanop hun eigen plekje om ter luidst “ik”, “ik”, “ik”, roepen in de hoop het hardst gehoord te worden.   Ondertussen verandert er wezenlijk zo weinig, dat ik stilaan bang word.  Als mensen enkel en alleen kunnen kijken naar hun eigen sores en die van een ander land of bevolking slechts van secundair belang achten, waar zijn we dan mee bezig?  Pas op, er zijn absoluut mensen die hun uiterste best doen met zorgen dat hun leven de aarde niet teveel belast, maar tot nu toe blijft het bij uitzonderingen. Het zal wel evolutiepsychologie zijn,  dat we amper tot iets anders in staat zijn omdat dat voor dit zelfzuchtige gedrag ons directe overleven bevordert (wat ook zo is, want als mijn voorouders niet zelfzuchtig genoeg waren geweest, dan zat ik hier nu niet te tokkelen achter mijn computer).

Maar we zijn stilaan met meer dan de aarde kan dragen.

Gaan we het lot dan achterna van Paaseiland, waar de bevolking zodanig geobsedeerd was geraakt door het bouwen  en plaatsen van afgodsbeelden, waarvoor heen wat hout nodig was. Hout, dat slechts beperkt voorradig was op het eiland en uiteindelijk tot de dood/het vluchten van de bevolking heeft geleid wegens allemaal omgehakt en/of verbrand.

Wij kunnen echter geen kant op.  Het zou wel eens kunnen, en het zàl ook zo zijn als er niet snel iets gebeurt.  En onze kinderen verdienen beter.  Dus vraag ik me af: afgezien van te beginnen bij mezelf, hoe pakken we dit aan?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofische overpeinzingen

Dove schoolgangers en hun tolken

Heuglijk nieuws!  De Vlaamse gemeenschap werd door de rechtbank van Gent veroordeeld wegens discriminatie van dove scholieren in het gewoon onderwijs.

Om alles even wat te kaderen: in maart van dit jaar trokken vier ouderparen van dove jongeren naar de rechtbank.  Hun kinderen zijn allemaal geïntegreerd in het gewoon onderwijs waar zij alle moeite van de wereld hebben om te functioneren als elk ander kind dat naar school gaat.  De ouders daagden de Vlaamse gemeenschap, bevoegd voor Onderwijs, voor de rechtbank van eerste aanleg in Gent (3 gezinnen) en Leuven (1 gezin). Op basis van de antidiscriminatiewet stelden zij dat het niet kon dat hun kinderen te weinig tolkuren kregen.  De discriminatiewet spreekt weliswaar van “redelijke aanpassingen” die er moeten gebeuren, en de ouders vonden het lage aantal tolkuren die hun kinderen kregen niet redelijk genoeg om met gelijke kansen in het gewoon onderwijs te stappen en te slagen. 

Voor een doof iemand is een “horendenschool” namelijk geen natuurlijke omgeving: communicatie met leerkrachten en medeleerlingen verloopt er vaak erg stroef, en tolken – schrijftolken of tolken Vlaamse Gebarentaal (VGT)  – zijn dan zonder meer een absolute noodzaak.  En dit niet alleen om de lessen te kunnen volgen, maar evengoed voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling, die zich voor een groot deel ontwikkelt door de interactie met volwassenen en leeftijdsgenoten, doof én horend.

De Vlaamse overheid startte in 1996 met een proefproject waarbij een aantal jongeren voor de eerste keer konden integreren met gebruik van een tolk VGT.  In 1999 kwam daar de mogelijkheid tot gebruik van een schrijftolk bij, voor dove jongeren die VGT onvoldoende machtig zijn.  Het aantal uren was aan de beperkte kant, maar het was in die tijd alleszins een hoopgevend begin.  Schrijver dezes heeft zijn hele schoolloopbaan in het gewoon onderwijs doorgebracht, en ik kan zeggen dat het bij momenten echt een “harde” tijd was.  De krant lezen tijdens de talenlessen (want ik verstond er toch geen bal van: Nederlands liplezen is al aartsmoeilijk, laat staan Engels, Frans of Duits), een enkele keer zelfs slàpen (tijdens de les Frans in het eerste middelbaar) en voor de rest vooral heel veel verveling, geduld oefenen en naar buiten staren.  Dat dit een hele hoop frustratie met zich meebracht, spreekt denk ik wel voor zich. En dat ik er heel veel door gemist heb, eveneens.

De voorbije jaren groeide het aantal door de overheid gesubsidieerde tolkuren gestaag, maar het aantal dove jongeren dat de stap naar het gewoon onderwijs zette, steeg eveneens.  Het gevolg was dat er eigenlijk jaar na jaar een status-quo optrad: het aantal toegekende uren per leerling bleef gewoon hetzelfde.  En dit was al niet veel. Afhankelijk van het schoolniveau waarin men zich bevond, werden er tussen de 5 (beroepsonderwijs) en de 9 (algemeen secundair) tolkuren per week toegekend aan elke dove jongere in het gewoon onderwijs die deze tolkuren aanvroeg.  Dit is dus met andere woorden gemiddeld één schooldag per week, waarbij de uren vaak gebruikt werden voor de hoofdvakken.  De rest van de tijd moesten de scholieren zich behelpen met liplezen, GOn-begeleiding (max. 4u/week) en nota’s van medestudenten.  Liplezen is helemaal niet evident want zeer vermoeiend (u daar, probeer het zelf eens: kijk 15 minuten geconcentreerd naar iemands bewegende lippen. En niet wegkijken, want da’s valsspelen! Vermoeiend, niet?), en vooral: lang niet iedereen kan het even goed. Onderzoek wees eens uit dat men via liplezen zo’n 20% van de gesproken taal verstond. De rest is puzzelwerk van het brein waarvan de accuraatheid te betwijfelen valt. Een ander onderzoek stelde zelfs ooit dat doven niet noodzakelijk betere liplezers zijn.

Het mag dus duidelijk zijn dat doven die in het gewoon onderwijs geïntegreerd zijn, lang niet op gelijke voet staan met de horende studiegenoten wat betreft de communicatie. En het is juist die gemiste communicatie die zoveel consequenties heeft voor de dove jongere:  minder kennis, minder sociale vaardigheden (want waar zou hij ze op school moeten leren, want hij begrijpt er toch niets van), minder emotionele intelligentie, enz…  de gevolgen van een niet-adequate communicatie kunnen dus echt heel erg groot zijn.

Waarom ze dan niet gewoon naar de dovenschool gaan, vraagt u?  Dat heeft een aantal verschillende redenen, waarvan ik er hier twee heel kort zal opsommen.  Ten eerste (en dit is al heel lang een oud zeer) is het dovenonderwijs qua niveau niet te vergelijken met het gewoon onderwijs, en levert het daarenboven hoogstens een getuigschrift Buitengewoon Onderwijs (BuO) op.  Het aantal aangeboden richtingen in het BuO is daarnaast ook beperkt. Dit kan prima zijn voor bepaalde jongeren die daar qua mentale capaciteiten op hun plaats zijn, maar er zijn er heel wat die veel beter kunnen.  Deze jongeren hebben geen andere keuze dan integreren.  Ten tweede zijn ook de dovenscholen op dit moment nog altijd niet volledig VGT-talig.  Ik leg dit even wat beter uit: meer en meer toont onderzoek aan dat gebarentalen de talen zijn die voor dove mensen het best “werken”.  Als pragmaticus ga ik er namelijk niet zozeer uit van grote principes, maar wel van een andere basisvraag: “werkt het?”.  Hoe hard een doof iemand (met implantaat, hoorapparaat, liplezen, whatever) ook zijn best doet, hij/zij zal als hij zich aanpast in een gesproken taal, àltijd minder goed functioneren dan een horend iemand met dezelfde capaciteiten. De reden is nogal simpel: een doof iemand blijft, ook met de huidige technologische evoluties, gewoon doof.  En dat is wat heel wat mensen nogal eens durven vergeten.  En in een visuele taal heeft elke dove met goed werkende ogen exact dezelfde kans op goede communicatie als een horend iemand die in gesproken taal communiceert.  Dat betekent niet dat die dove jongeren daarom geen Nederlands (of een andere gesproken taal) zouden leren.  Integendeel, wie een eerste taal (in dit geval VGT) heel goed beheerst, leert over het algemeen net vlotter een nieuwe taal (in dit geval Nederlands).  Alleen het “gesproken” aspect verloopt altijd moeizamer, wat logisch is want een doof iemand kan zichzelf nu eenmaal niet zomaar auditief corrigeren. Maar schrijven en lezen zijn in principe geen probleem.

De rechter in Gent had oren naar de argumenten van de verdediging en besliste dat de Vlaamse Gemeenschap in gebreke bleef, en kende aan elk kind tolkuren toe voor 70% van de lessen.  De rechter in Leuven daarentegen volgde de argumentatie van de advocaten van Stibbe niet.  Het lijkt er dus naar uit dat er een vervolg zal komen voor het hof van Beroep, iets wat het kabinet van minister van Onderwijs Pascal Smet al insinueerde.  Hopelijk hebben ze daar oor naar bovenstaande argumenten.

1 reactie

Opgeslagen onder Deaf/Deafhood, Filosofische overpeinzingen

Dove mensen in WOII

Wie graag een interessante documentaire ziet, mét ondertitels, over de overlevingsstrijd van dove mensen in de tweede wereldoorlog, kan ik “Anna’s stille strijd” aanraden, een programma van Tom Linszen en Willy Lindwer.  Tom is een dove Nederlandse documentairemaker die meer wou weten over de geschiedenis van Dove joodse mensen tijdens de Shoah (zoals de jodenvervolging ook wel wordt genoemd).  Hij gebruikte hiervoor het verhaal van Anna van Dam, een joodse jongedame die dankzij héél veel geluk (én de hulp van een horende nicht) Auschwitz en enkele andere kampen wist te overleven.  Een heel mooi en aangrijpend verhaal, met de kanttekening dat Linszen soms kort door de bocht gaat als hij de motieven van de Duitsers probeert te vatten.  Niettemin absoluut de moeite waard.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Deaf/Deafhood, Ethica, geschiedenis