Categorie archief: Deaf/Deafhood

Identiteit en euthanasie

Het nieuws ging de voorbije dagen de wereld rond, en ook de dovengemeenschap wereldwijd staat in rep in roer door de in het begin nogal ongenuanceerde nieuwsberichten  dat twee doofblinde tweelingsbroers euthanasie verkozen boven een verder leven in isolatie (voor een vrij volledig overzicht van de artikelen in Vlaamse media, zie hier). Ook in buitenlandse media – die vaak al even ongenuanceerd het nieuws overnamen van hun Vlaamse collega’s –  kwam het onderwerp vrij prominent ter sprake, aangezien het de eerste keer was ooit dat een tweeling ervoor koos om op hetzelfde moment te sterven).  Ik zat erbij, en keek naar de wildgroei aan (meestal emotionele) argumenten op facebook en andere sociale media dat doofblinden wél een goed leven kunnen hebben, wél recht hebben op leven, wél wél wél.  Terwijl uit de eerste artikelen die over het onderwerp verschenen, eigenlijk weinig feitelijke en juiste informatie te halen viel om te kunnen oordelen over hun eigen keuze.  Zo is de dagen nadien ook gebleken: de dove broers hadden wel wat meer “problemen” dan enkel doof en toekomstig blind; beide broers hadden ruim hun deel van de koek gehad op het vlak van fysiek labeur en afzien.

En zo bleek ineens de atmosfeer op de sociale fora om te slaan, en werd de media het doelwit.  Ook de Federatie die alle Vlaamse dovenverenigingen vertegenwoordigt, Fevlado, liet in een opiniestuk  weten dat de media ook maar eens aandacht mochten gaan hebben voor een sociale benadering van de situatie, in plaats van steeds opnieuw op dezelfde medische nagel te kloppen en de daarbij horende terminologie te hanteren.

Het geeft me allemaal een onbevredigend gevoel.  Ja, de media hebben een hoop schuld aan de foute beeldvorming.  De terminologie kan (veel) beter, het onderzoek een stuk nauwgezetter, het artikel een stuk genuanceerder.  Ja, de broers hadden in dit land recht op euthanasie.  Mensen hebben in dit land wettelijk het recht en de mogelijkheid om in zulke situaties uit het leven te stappen, en we geven hen daar meestal ook gelijk in, net zogoed als wij een groot respect hebben voor mensen die ervoor kiezen om hun lijden waardig te blijven dragen. Maar de wet in België (die ongezien progressief is in vergelijking met de wetgeving in de rest van de wereld) laat echter ook een deur open voor mensen die wensen te sterven, niet omwille van een fysiek, maar omwille van een psychisch lijden.  Personen die reeds jaren, om niet te zeggen decennia, lijden aan een langdurige en uitzichtloze depressie en bij wie alle mogelijke behandelingen niet het verhoopte resultaat met zich meebrachten, hebben dan – als er tenminste 3 geneesheren unaniem hun toestemming geven na een langdurig begeleidingsproces – eveneens de kans om menswaardig uit het leven te stappen.  De notie ‘psychisch ondraaglijk lijden’ wordt niet expliciet uitgelegd in de wet, wat dus kan zorgen voor onverwachte “gebruikers” van die wet, zoals in dit geval dus twee dove mannen die heel wat fysieke ongemakken hadden en binnen afzienbare tijd blind zouden worden.  Zij kregen van de geneesheren groen licht, omdat deze artsen, afgaande op het verhaal van deze twee mannen, geloofden dat het toekomstig leven van die broers voor hen een ondraaglijke mate van psychisch lijden met zich zou meebrengen.

Maar eigenlijk gaat het daar voor mij in deze hele discussie niet eens om.  Voor mij zit de baseline van dit verhaal veel dieper.  Euthanasie is erg existentieel thema, die ons raakt in het diepste van wie we zijn: wanneer vinden we onszélf oké genoeg om het leven de moeite waard te vinden?  En hebben we het recht om, als we ons eigen leven niet waardevol en kwaliteitsvol genoeg vinden, zelf over ons eigen levenseinde te beslissen?  Want ik wil toch even met klem benadrukken dat euthanasie uitgaat van de eigen vraag van de persoon zélf.  Er is geen sprake van enige vorm van moord of schending van mensenrechten, deze tweelingbroers hebben zélf beslist, autonoom, dat ze hun leven niet oké meer vonden.

Wie oordeelt over het menswaardige van iemand anders’ leven, oordeelt ook altijd over zijn of haar eigen bestaan.  Want natuurlijk kunnen doofblinden een schitterend leven hebben en een bijdrage leveren aan de maatschappij en aan de gemeenschap.  Maar wij mensen botsen hier op de grenzen van ons mens-zijn: we kunnen ons maar tot op een bepaald niveau inbeelden hoe het is om de ander te zijn, of die nu moslim is, of een persoon met één of andere handicap (of een resem tegelijk) of de tiener die we morgen kruisen op straat.  Voor mij, volwassen dove, is doofzijn geen issue meer, laat staan een medisch gebrek, maar de gedachte blind te worden, maakt me zeer nerveus.  Maar ik weet ook dat er doven rondlopen die van dat doofzijn wél een groot thema maken, en lijden onder hun niet kunnen horen.  Zo ook zijn er doofblinden die hun identiteit hebben kunnen losrukken van een al te medische benadering (onder andere dankzij een grotere toegankelijkheid door de enorme technologische vooruitgang van de voorbije jaren), en doofblinden die daar niet in slaagden, zoals de broers Verbessem.

Daar heeft de maatschappij een grote verantwoordelijkheid.  Maar dat is een strijd die op zeer lange termijn gevoerd moet worden, en waarvan doven zich soms afvragen of we, ondanks de formele verwezenlijkingen zoals de erkenning van de Vlaamse Gebarentaal en het bekijken van TV-programma’s met ondersteuning van (Het Journaal) of in (See Hear op BBC), eigenlijk wel een stap verder geraakt zijn, als journalisten ondanks tientallen lezersbrieven nog altijd spreken over de “doofstomme”, de “allochtoon”, “de gehandicapte”,… of als “serieuze” artikels in “serieuze” kranten noodzakelijke aanvullende informatie voor een juiste beoordeling van de situatie gewoon niet eens vermelden.  De verschillende overheden hebben dan ook een grote taak om de samenleving blijvend te sensibiliseren over andere culturen en minderheidsgroepen.  Van jongsaf aan moet in het basis- en secundair onderwijs dan ook veel meer aandacht uitgaan naar morele opvoeding, de psychologie van de ander, antropologie en het leren samenleven met en erkennen van andere culturen.  Want mensen, ook doven zelf, zitten vaak nog vast in het negatieve straatje van “wij” en “de ander”, waarbij iemand die gewoonweg om één of andere reden anders is, daardoor negatief wordt benaderd.   En de basis daarvan ligt dus in het onderwijs.  Tegenwoordig is de kans dat je in een monoculturele klas zit, zo goed als nihil.  En door een te ver doorgeschoten medicalisering van kinderen zit er waarschijnlijk ook nog iemand bij met dyslexie, leerproblemen of andere ADHD’s.  Maar wat leren de kinderen er écht over hun medeklasgenootjes?  Maakt dat een wezenlijk deel uit van het klasgebeuren?

Alle culturen en handicaps hebben recht op een eigen positieve identiteit, en die komt niet enkel uit henzelf, maar wordt hen ook door alle mogelijke kanalen in de samenleving aangereikt, waarvan het onderwijs waarschijnlijk de belangrijkste is.  Een verdiende tweede is de media, en die heeft, zo blijkt na jaren waarbij verschillende belangengroepen hebben geijverd voor juiste beeldvorming, zeker ook nog wel wat te leren.  En natuurlijk mogen we ook het gezin niet vergeten.  Maar het gezin, zoals al gezegd, is zelf ook onderhevig aan de invloeden van de eigen maatschappij, en neemt de beeldvorming evengoed al te vaak over.  We doen het allemaal. Maar dat diepe instinct binnen in ons, ons ingepraat door de evolutie, de angst voor de ander, zou in een beschaafde samenleving op lange termijn geen plaats meer mogen hebben.

De lange termijn is dus één, de korte termijn is iets volledig anders.  De wereld loopt vol met mensen die om één of andere reden in die mallemolen van indrukken die de wereld is, een negatieve identiteit hebben ontwikkeld en niet gelukkig meer zijn met zichzelf en hun plaats op deze wereld.  Een zeer kleine minderheid daarvan wenst ook effectief een einde te maken aan zijn of haar psychische lijden.  Zolang die gelijkheid er niet is, zolang mensen in deze samenleving de kans niet krijgen om volwaardig te kunnen zoeken naar een positieve identiteit voor zichzelf, zal een kleine minderheid gebruik willen maken van die ene, laatste stap.  En wie zijn wij om daar nee tegen te durven zeggen?

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Deaf/Deafhood, Ethica, Filosofische overpeinzingen

Dove schoolgangers en hun tolken

Heuglijk nieuws!  De Vlaamse gemeenschap werd door de rechtbank van Gent veroordeeld wegens discriminatie van dove scholieren in het gewoon onderwijs.

Om alles even wat te kaderen: in maart van dit jaar trokken vier ouderparen van dove jongeren naar de rechtbank.  Hun kinderen zijn allemaal geïntegreerd in het gewoon onderwijs waar zij alle moeite van de wereld hebben om te functioneren als elk ander kind dat naar school gaat.  De ouders daagden de Vlaamse gemeenschap, bevoegd voor Onderwijs, voor de rechtbank van eerste aanleg in Gent (3 gezinnen) en Leuven (1 gezin). Op basis van de antidiscriminatiewet stelden zij dat het niet kon dat hun kinderen te weinig tolkuren kregen.  De discriminatiewet spreekt weliswaar van “redelijke aanpassingen” die er moeten gebeuren, en de ouders vonden het lage aantal tolkuren die hun kinderen kregen niet redelijk genoeg om met gelijke kansen in het gewoon onderwijs te stappen en te slagen. 

Voor een doof iemand is een “horendenschool” namelijk geen natuurlijke omgeving: communicatie met leerkrachten en medeleerlingen verloopt er vaak erg stroef, en tolken – schrijftolken of tolken Vlaamse Gebarentaal (VGT)  – zijn dan zonder meer een absolute noodzaak.  En dit niet alleen om de lessen te kunnen volgen, maar evengoed voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling, die zich voor een groot deel ontwikkelt door de interactie met volwassenen en leeftijdsgenoten, doof én horend.

De Vlaamse overheid startte in 1996 met een proefproject waarbij een aantal jongeren voor de eerste keer konden integreren met gebruik van een tolk VGT.  In 1999 kwam daar de mogelijkheid tot gebruik van een schrijftolk bij, voor dove jongeren die VGT onvoldoende machtig zijn.  Het aantal uren was aan de beperkte kant, maar het was in die tijd alleszins een hoopgevend begin.  Schrijver dezes heeft zijn hele schoolloopbaan in het gewoon onderwijs doorgebracht, en ik kan zeggen dat het bij momenten echt een “harde” tijd was.  De krant lezen tijdens de talenlessen (want ik verstond er toch geen bal van: Nederlands liplezen is al aartsmoeilijk, laat staan Engels, Frans of Duits), een enkele keer zelfs slàpen (tijdens de les Frans in het eerste middelbaar) en voor de rest vooral heel veel verveling, geduld oefenen en naar buiten staren.  Dat dit een hele hoop frustratie met zich meebracht, spreekt denk ik wel voor zich. En dat ik er heel veel door gemist heb, eveneens.

De voorbije jaren groeide het aantal door de overheid gesubsidieerde tolkuren gestaag, maar het aantal dove jongeren dat de stap naar het gewoon onderwijs zette, steeg eveneens.  Het gevolg was dat er eigenlijk jaar na jaar een status-quo optrad: het aantal toegekende uren per leerling bleef gewoon hetzelfde.  En dit was al niet veel. Afhankelijk van het schoolniveau waarin men zich bevond, werden er tussen de 5 (beroepsonderwijs) en de 9 (algemeen secundair) tolkuren per week toegekend aan elke dove jongere in het gewoon onderwijs die deze tolkuren aanvroeg.  Dit is dus met andere woorden gemiddeld één schooldag per week, waarbij de uren vaak gebruikt werden voor de hoofdvakken.  De rest van de tijd moesten de scholieren zich behelpen met liplezen, GOn-begeleiding (max. 4u/week) en nota’s van medestudenten.  Liplezen is helemaal niet evident want zeer vermoeiend (u daar, probeer het zelf eens: kijk 15 minuten geconcentreerd naar iemands bewegende lippen. En niet wegkijken, want da’s valsspelen! Vermoeiend, niet?), en vooral: lang niet iedereen kan het even goed. Onderzoek wees eens uit dat men via liplezen zo’n 20% van de gesproken taal verstond. De rest is puzzelwerk van het brein waarvan de accuraatheid te betwijfelen valt. Een ander onderzoek stelde zelfs ooit dat doven niet noodzakelijk betere liplezers zijn.

Het mag dus duidelijk zijn dat doven die in het gewoon onderwijs geïntegreerd zijn, lang niet op gelijke voet staan met de horende studiegenoten wat betreft de communicatie. En het is juist die gemiste communicatie die zoveel consequenties heeft voor de dove jongere:  minder kennis, minder sociale vaardigheden (want waar zou hij ze op school moeten leren, want hij begrijpt er toch niets van), minder emotionele intelligentie, enz…  de gevolgen van een niet-adequate communicatie kunnen dus echt heel erg groot zijn.

Waarom ze dan niet gewoon naar de dovenschool gaan, vraagt u?  Dat heeft een aantal verschillende redenen, waarvan ik er hier twee heel kort zal opsommen.  Ten eerste (en dit is al heel lang een oud zeer) is het dovenonderwijs qua niveau niet te vergelijken met het gewoon onderwijs, en levert het daarenboven hoogstens een getuigschrift Buitengewoon Onderwijs (BuO) op.  Het aantal aangeboden richtingen in het BuO is daarnaast ook beperkt. Dit kan prima zijn voor bepaalde jongeren die daar qua mentale capaciteiten op hun plaats zijn, maar er zijn er heel wat die veel beter kunnen.  Deze jongeren hebben geen andere keuze dan integreren.  Ten tweede zijn ook de dovenscholen op dit moment nog altijd niet volledig VGT-talig.  Ik leg dit even wat beter uit: meer en meer toont onderzoek aan dat gebarentalen de talen zijn die voor dove mensen het best “werken”.  Als pragmaticus ga ik er namelijk niet zozeer uit van grote principes, maar wel van een andere basisvraag: “werkt het?”.  Hoe hard een doof iemand (met implantaat, hoorapparaat, liplezen, whatever) ook zijn best doet, hij/zij zal als hij zich aanpast in een gesproken taal, àltijd minder goed functioneren dan een horend iemand met dezelfde capaciteiten. De reden is nogal simpel: een doof iemand blijft, ook met de huidige technologische evoluties, gewoon doof.  En dat is wat heel wat mensen nogal eens durven vergeten.  En in een visuele taal heeft elke dove met goed werkende ogen exact dezelfde kans op goede communicatie als een horend iemand die in gesproken taal communiceert.  Dat betekent niet dat die dove jongeren daarom geen Nederlands (of een andere gesproken taal) zouden leren.  Integendeel, wie een eerste taal (in dit geval VGT) heel goed beheerst, leert over het algemeen net vlotter een nieuwe taal (in dit geval Nederlands).  Alleen het “gesproken” aspect verloopt altijd moeizamer, wat logisch is want een doof iemand kan zichzelf nu eenmaal niet zomaar auditief corrigeren. Maar schrijven en lezen zijn in principe geen probleem.

De rechter in Gent had oren naar de argumenten van de verdediging en besliste dat de Vlaamse Gemeenschap in gebreke bleef, en kende aan elk kind tolkuren toe voor 70% van de lessen.  De rechter in Leuven daarentegen volgde de argumentatie van de advocaten van Stibbe niet.  Het lijkt er dus naar uit dat er een vervolg zal komen voor het hof van Beroep, iets wat het kabinet van minister van Onderwijs Pascal Smet al insinueerde.  Hopelijk hebben ze daar oor naar bovenstaande argumenten.

1 reactie

Opgeslagen onder Deaf/Deafhood, Filosofische overpeinzingen

Dove mensen in WOII

Wie graag een interessante documentaire ziet, mét ondertitels, over de overlevingsstrijd van dove mensen in de tweede wereldoorlog, kan ik “Anna’s stille strijd” aanraden, een programma van Tom Linszen en Willy Lindwer.  Tom is een dove Nederlandse documentairemaker die meer wou weten over de geschiedenis van Dove joodse mensen tijdens de Shoah (zoals de jodenvervolging ook wel wordt genoemd).  Hij gebruikte hiervoor het verhaal van Anna van Dam, een joodse jongedame die dankzij héél veel geluk (én de hulp van een horende nicht) Auschwitz en enkele andere kampen wist te overleven.  Een heel mooi en aangrijpend verhaal, met de kanttekening dat Linszen soms kort door de bocht gaat als hij de motieven van de Duitsers probeert te vatten.  Niettemin absoluut de moeite waard.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Deaf/Deafhood, Ethica, geschiedenis

Een nieuwe start

Sinds begin deze week heb ik een nieuwe job en ik begin me er elke dag beter in mijn sas te voelen.   Het is niet dat mijn vorige job zwaar tegenviel, verre van: ik zal vooral de collega’s op Sint-Gregorius missen (van wie ik een pracht van een kader heb gekregen, waarvoor nogmaals dank), maar de inhoud van mijn werk, als ik even heel eerlijk mag zijn, absoluut niet.

Het zit zo: zeven jaar geleden was schrijver dezes bezig met zijn eerste licentie moraalwetenschappen aan de UGent (toen nog de RUG) toen hij te weten kwam dat er op Sint-Gregorius een halftijdse job vrijkwam als opvoeder in een MPI, binnen de afdeling voor dove kinderen. Ik ging er solliciteren: ondertussen was de functie-inhoud van de job lichtelijk veranderd (niet meer 20u, maar een pak meer, en dus niet meer te combineren met mijn “gestudeer”), en werd het niets. Een maand later kreeg ik een mail dat de job van maatschappelijk assistent in diezelfde afdeling terug vacant was, en of ik daarvoor interesse had.  Ik heb mijn eerste professionele stappen daar gezet, maar veel belangrijker, ik leerde er de dovencultuur voor het eerst echt kennen.  En ik besefte er dat ik me niet langer hoefde neer te leggen bij het “niet-kunnen-volgen-want-ik-ben-nu-eenmaal-doof”-gevoel: met je eigen taal waarmee het communiceren opeens geen probleem meer bleek (gebarentaal, of wat dacht je?) had de gemiddelde dove in principe dus evenveel mogelijkheden.  In principe, zeg ik wel: het Vlaamse dovenonderwijs heeft een heel lange weg afgelegd maar ook nog af te leggen, en ook de integratie van de dove Vlaamse scholier loopt niet altijd even gelukkig (ondanks de beste bedoelingen en het vele harde werk dat er vaak door verschillende partijen in gestoken wordt). In mijn specifieke situatie bleken de keuzes van mijn ouders prima gewerkt te hebben, maar voor heel wat anderen is hun werkelijkheid  helaas minder rooskleurig, met gemiste of nooit gekende en dus nooit genomen kansen tot gevolg. Maar ik wijk af.

Bijna zeven jaar later heb ik ook twee passages op een thuisbegeleidingsdienst achter de rug, en het werken in wat meestal de “zorg”-sector was, was beginnen door te wegen. Ik geef ook al een paar jaar les aan studenten tolk voor doven in een school voor volwassenenonderwijs.  Daar kon ik me echt uitleven met het bestuderen van de wondere wereld der Doven en met de als een spons opgeslorpte informatie weer door te geven aan mijn studenten, vaak nog al te vastgeroest in het deficitsysteem, het hardnekkige idee dat een dove een sukkelaar is die geholpen moet worden. Ik wou daar dus nog meer mee doen.

Maar waar een nieuwe job vinden die a- mij inhoudelijk (lees: op cultureel en vormend vlak, want da’s zoals blijkt meer mijn dada) aansprak en b- geen of weinig (alleszins minder dan in mijn jeugd) communicatieproblemen met zich zou meebrengen?  Toen de job als inhoudelijk coördinator bij Fevlado-Diversus (de vormingsdienst van de Vlaamse Dovengemeenschap) vrijkwam, was het dan ook een kans die ik moest grijpen.

En daar lopen, zo blijkt (en ik had niet anders verwacht) ook heel erg fijne collega’s rond.

2 reacties

Opgeslagen onder Deaf/Deafhood, M'n job(s), Sign Language

Nightswimming

For the deaf (and the hearing with an open mind) amongst us that know ASL: a very nice and intimate ASL-cover of one of REM’s most intimate songs. Enjoy!

Toch is het origineel ook heel erg mooi! Voor de slechthorenden en doven onder ons: Stipe is behoorlijk goed te liplezen in deze intieme en prachtige live-clip.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder muziek, Sign Language

Het eigene van dove mensen?

Het is binnenkort weer zover. Elk jaar opnieuw gaat in de tweede helft van september de Werelddovendag door, een congres/festival/informatiebeurs/noemmaarop (om maar te zeggen dat er voor elk wat wils is) waar de Dovengemeenschap zichzelf “viert”. En dit jaar gaat het door in mijn hometown (mijn ouderlijk huis staat alleszins daar), Mechelen.

Thema dit jaar is Dovencultuur. Tsjah, voor de lezers van mijn blog die niets over dove en slechthorende mensen weten en bij voorkeur met een grote boog om gebarengebruikende mensen lopen (stel je voor dat dat besmettelijk is, gebarentaal!): dove mensen bestaan er in alle maten en soorten, en niettegenstaande ze over het algemeen een groot deel van hun leven doorbrengen binnen de grote, horende cultuur, zoekt een aanzienlijk deel van deze doven in hun vrije tijd contact met andere dove mensen. Daar is hun thuis. De bronnen zijn het niet met elkaar eens waar de dove mens zich als een groep begon te gedragen, maar er zijn redenen om aan te nemen dat dit al gebeurde voordat de dovenscholen ontstonden in de loop van de 18de en 19de eeuw.

Om het eenvoudig te houden zouden we kunnen zeggen dat men op twee verschillende manieren naar een doof iemand kan kijken: ofwel kijkt men naar die persoon vanuit het idee dat hij/zij iets niet kan, namelijk horen. We kijken op dat moment met een medische blik naar de dove mens, maar ook bekijken we die dove mens louter individueel. Maar het wordt anders als je een aantal dove mensen bij elkaar zet. Dat ziet men dagelijks in de dovenscholen, waar gebarentaal al vrij snel de overhand neemt als geprefereerde communicatievorm voor de dove kinderen en jongeren (wat in het verleden vaak stiekem moest gebeuren, of enkel op de speelplaats: de meeste Vlaamse dovenscholen huldigden tot nog-niet-zolang-geleden het principe van spreken en liplezen in de klas, met soms catastrofale gevolgen). De kinderen zoeken dus naar een communicatievorm waarbij zij het gevoel hebben even goed te kunnen communiceren als de – op dit moment veelal horende – leerkrachten, opvoeders and so on. Doordat dove mensen door de eeuwen heen een eigen taal gebruikten, ontstond er ook een soort van eigen cultuur (men spreekt, afhankelijk van bron tot bron, van een “microcultuur”, een “subcultuur”, enz. (wie hier meer over wil weten, moet maar les bij mij komen volgen)): op dit moment functioneert een dove persoon als lid van een groep. Men spreekt hier wel eens over een culturele kijk op wie en wat de dove mens eigenlijk is.
En die cultuur, mensen, die ziet u op 22 september in Mechelen, ter hoogte van de oude brouwerij van Lamot. Op het programma onder andere (voor een volledig overzicht, klik hier – binnenkort online):

  • zijn dove mensen lid van een taalminderheidsgroep of zijn ze personen met een handicap?
  • kunst gemaakt door Doven: De’VIA: gelijkenissen en verschillen met mainstream kunst.
  • toneel door Hand in’t Oog (volgens mensen die het kunnen weten een aanrader die het niveau van de doordeweekse klucht zwaar overstijgt) en het Antwerps doventheater.
  • doorlopende informatiebeurs waar elke zichzelf respecterende organisatie die voor of met Doven werkt, reclame komt maken voor zichzelf

Enfin, u leest het: de afwezigen zullen ongelijk hebben. Voor twijfelaars, onbekenden en ander verdacht volk: geen angst, wij bijten niet (we zwaaien alleen met onze armen), maar het kon uw kijk op doven wel eens grondig dooreen schudden.  Mensen met een open geest die op 22 september toevallig nog geen plannen hebben, één adres.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Deaf/Deafhood

Weblogs en videoblogs

Ik zat me vanmiddag tijdens mijn werk af te vragen hoe het kwam dat er in België tot nu toe zo weinig dove mensen zijn met een echt interessante weblog waar ook thema’s die de doven zelf aangaan, aan bod komen. Ik besloot toen maar om meteen na het thuiskomen van mijn werk (nog) eens via de website van doven.be rond te kijken in de Deaf Flemish Blogosphere. Ik zocht uitdrukkelijk naar websites die het niet alleen maar over nieuws hebben (zoals bvb. bartalmai.be, die zichzelf wel een vlog noemt maar het in feite niet is, toch niet volgens de definitie die ik aan een vlog geef). Verschillende doven die zich daar hebben aangemeld op de link-pagina hebben weliswaar soms een mooi profiel aangemaakt bij deze of gene datingboxsite à la Redbox, maar een échte weblog of vlog waar mensen vertellen over wat zij meemaken, al dan niet in de dovengemeenschap? Het resultaat is na mijn korte onderzoek bedroevend: Witte Zwanen, Zwarte Zwanen; Pigs Can Fly ; de weblog van Helga Stevens (al is die website toch eerder in de partijpolitieke sfeer); de website van ene Cuteboy en Hildaholics. De oogst is dus mager. Kan iemand mij eens vertellen hoe dat komt?

Het is natuurlijk wel zo dat de vijver om uit te vissen in Vlaanderen (schattingen gaan van 4000 tot 7000 Vlaamse Doven) zeer klein is, maar dat zou eigenlijk geen argument mogen zijn. In de VS swingen de weblogs en vlogs de pan uit, en elke dove ginder lijkt bij wijze van spreken wel een mening klaar te hebben. Dat zou hier ook wel eens mogen gebeuren. Het valt echter op: het aantal mensen dat op interessante posts op deze bestaande blogs ingaat en erover discussieert, blijkt klein te zijn.

Misschien wordt het toch maar tijd voor de Vlaamse doven om wat internationaler te gaan (voor zover dat al niet gebeurt: verschillende van bovengenoemde bloggers – toeval bestaat niet – hebben al in het buitenland vertoefd).

Iemand een reactie?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Deaf/Deafhood