Maandelijks archief: februari 2010

Oude gedichten roesten niet…

Vroeger, in een verleden waar verveling tot nadenken stemde, schreef ik af en toe wel eens een gedicht.  Zoals het de echte dichters betaamt, blijken enkele jaren na datum de meeste gedichten rampzalig slecht, maar de paar die er mogen zijn, mogen er dan ook wel écht zijn.  Denk ik, men mag mij corrigeren als ik het bij het verkeerde eind heb.  U moet weten, sinds dit jaar schrijven mijn moeder en ik in een soort heen-en-weerschriftjes allerlei bedenkingen en ervaringen neer.  Mijn moeder heeft duidelijk meer tijd, want slaagde erin om zowat elke dag van januari een pagina vol te schrijven in haar schriftje.  Ik loop ver achter en heb wat goed te maken.  Maar om een verhaal kort te maken: in haar schriftje had mijn moeder het over een oud gedicht van mij dat zij op mijn oude weblog was tegengekomen.

Ik moet zeggen, het was me volledig ontglipt.  Dat ik die oude website nog ergens liggen had in een schuif op het internet, en dat ik dat gedicht (en nog enkele andere die ik daar zonet herlas) ooit zelf nog had geschreven.  In de beginjaren, moet u weten, gebruikte ik papier.  Ik nam een pen, ging op mijn bed of (in de zomer) in de tuin zitten, en schreef over wat me bezighield, of over waar ik op dat moment toevallig aan dacht.  Het resultaat was meestal een blad vol doorhalingen, inktvlekken en redelijk onleesbaar geschrift.  Ik schreef de pennenvrucht dus over op een proper blad, en stak die allebei in een ringmap.  De twee mappen vol klad- en propere bladen heb ik boven nog op zolder liggen. Slecht. Maar slecht!

Later, toen ik mijn eerste weblogs in elkaar begon te steken, schreef ik nog wel op papier, om nadien echter het resultaat wereldwijd bekend te maken en het kladje in de vuilnisbak te kieperen.  Het scheelt niet veel, maar dat gedeelte van mijn poëtisch verleden was ik dus bijna kwijt.

Tot mijn moeder op God weet welke manier daar terechtkwam.  Bedankt, ma.

Ik plaats hier in een licht melancholische bui twee van mijn oude brouwsels.  Laat me maar weten wat u ervan vindt.

ode aan… (24/02/2005)

Als de dag de nacht opzijzet
en de leeuwerik ontwaakt
en de bergen worden heuvels,
als jouw blik de mijne raakt,

dan speel ik met je tranen,
proef het zilt van je verdriet,
bekijk je gouden engelharen,
en zie wat niemand anders ziet…

Ik doe mijn best jou te doorgronden
en het moment is dan daar:
als de sneeuw licht in het donker
is er niet langer gevaar.

Als je in mijn armen wegkruipt
en jouw benen om mij draait,
als je je spanning kan laten
en je niet langer meer schaamt…

dan is het tijd voor samen praten,
dan is het tijd voor samen zijn.
Dan mag je best wel steken laten,
je zal er niet minder door zijn.

Zonder titel (1/04/2005)
Vergeet je ogen niet te sluiten,
laat je ademhaling gaan,
Huil de tranen maar met tuiten,
laat je stem maar overslaan.

Laat het allemaal maar lopen,
schreeuw je woede maar goed uit,
je hoeft niet langer meer te hopen,
je hoeft niet steeds opnieuw vooruit.

Ween maar om verloren uren,
die je gewoon maar zat te zijn,
waarbij de lege kamermuren,
getuige waren van je pijn.

Je mag je kussens best natmaken,
je hoeft niet langer sterk te zijn,
je mag best schreeuwen van de daken,
gedaan met opgekropte schijn.

Maar het zal banaal aflopen,
het hoeft niet bijzonder te zijn,
het is de tijd die je zal dopen
in glaasjes water gemengd met wijn.

Advertenties

2 reacties

Opgeslagen onder the noble art of writing

Lesgeven

Nog twee keer slapen en ik mag na een herfstslaap opnieuw voor de klas staan. In normale omstandigheden geef ik het hele schooljaar door tweewekelijks les aan de studenten aan de opleiding Tolk voor Doven (tolk Vlaamse Gebarentaal, dus), maar door een hele hoop geschuif met het lessenrooster heb ik nu uitzonderlijk de twee vakken die ik geef samen in één semester. Dat betekent dat zaterdagochtend uitslapen er voor mij niet meer bij is (niet dat ik met die kleine petoet hier in huis nog vaak uitslaap, en dat woord is tegenwoordig zeer relatief…) en ik elke ochtend om 9u mijn uitgeslapen studenten in de les mag verwelkomen.

Ik kijk ernaar uit om opnieuw die lege vaten (figuurlijk, want het blijkt dat heel wat studenten voordat ze bij mij in de les komen, amper iets weten over hoe wij Doven zijn, en hoe ongelooflijk divers de gemeenschap in elkaar zit) te vullen met informatie over de dovencultuur, en hen een genuanceerde kijk te geven op de leefwereld van de Doven. Want ’t is allemaal niet zo simpel, natuurlijk. Het is niet zo dat een cochleair implantaat iemand ineens terug horend maakt, of dat dove mensen allemaal gebaat zijn bij ondertiteling op TV. Zoveel te vertellen, zo weinig tijd.  Zodadelijk nog een paar mails sturen naar mogelijke gastdocenten.  Ik hoef het de studenten niet aan te doen om wekelijks alleen maar mij te moeten luisteren.

Zo’n groep studenten is trouwens een heel interessant sociologisch fenomeen.  In mijn les zit gemiddeld voor 90% dames van alle leeftijden, waarvan enkele tijdens de 21 uur die ze in mijn nabijheid vertoeven, geen woord zullen lossen.  Ze zullen de vingers van de andere studenten zien omhooggaan, te pas en te onpas (al kan ik elke vraag appreciëren… ’t is een teken van interesse en bereidheid om bij te leren, hoezee!) .  Sommigen schrijven hele schriften vol, anderen dromen af en toe weg bij de veel te regelmatig passerende treinen.  Er wordt af en toe onderling gelachen (met de docent? who knows), en aan de blikken zie ik of ik mijn les goed heb voorbereid of niet.  Dat laatste merk ik trouwens ook aan het aantal keren dat ik in een les de draad kwijtraak.

Soit, lesgeven is fijn.  Het puzzelen aan een cursus. Het in elkaar steken van de powerpoint.  De zenuwen voor de eerste les.

Het mag gaan komen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder M'n job(s)