Maandelijks archief: september 2006

Voorbij

Het is weer afgelopen. Gisteren ging in het hoofdgebouw van de Universiteit Hasselt de zoveelste werelddovendag door. Ik heb in eerdere posts al aangestipt dat ik vréselijk zenuwachtig was voor mijn lezing. Bleek er uiteindelijk een kleine 10 (TIEN!) man in een zaal te zitten waar normaliter gemakkelijk 120 man in kon. Tsjah. Op voorhand stressen voor niets. Los daarvan raakte ik bij momenten flink in de knoop met mijn handen, het zweet vormde zilveren parels op de top van mijn neus (maar ook op mijn rug, voorhoofd, schouders, enfin, overal… en te bedenken dat ik mijn zweet-bij-stress-eigenschap ken en thuis op voorhand een vers T-shirt had klaargelegd, dat ik dan natuurlijk ook vergat), het talrijk opgekomen publiek heeft hopelijk iets bijgeleerd, en ik was zo content toen het voorbij was.

Het is wel een ervaring: je hele leven groei je op in de Nederlandse gesproken taal, tijdens de obligate schooltijd deed ik de nodige kennis van Frans, Duits en Engels op (om de eerste twee nadien ook even snel weer te vergeten) om tenslotte 5 jaar geleden een nieuwe en fantastische nieuwe taal te leren kennen. Maar dat betekende nu ook weer niet dat ik me in die taal zelfzeker genoeg voelde om zonder een spatje zenuwen naar die lezing uit te kijken. Dat enkele aandachtige lezers van mijn weblog op voorhand hadden laten weten dat ze zouden afkomen, hielp ook niet echt. Soit, vrijdagavond nog een paar uur aan die presentatie zitten prutsen, en ’s ochtends om 8u startte Arie (mijn witte Volvo 440 van 11 zomers oud) zijn machinerie op om me naar Limburg te brengen. Toen om kwart na elf bleek dat de tien (al te late) binnenkomers effectief de enige geïnteresseerden waren, wist ik niet of ik me blij (wegens weinig volk en dus geen overdonderd gevoel) of boos (hoe wagen ze het om mijn uitermate interessante lezing aan zich te laten voorbijgaan?) moest voelen. Een onstabiele mix van die twee in mijn achterhoofd door elkaar schuddend, ging ik van start met twee schrijftolken en twee stemtolken voor mijn neus… laat ons hopen dat ze mijn Vlaamse-gebarentaal-met-zenuwen hebben kunnen ontcijferen.
Wat ik nog van Werelddovendag moet onthouden (en u ook!) zijn de getuigenissen en het daaropvolgende panelgesprek van Dove jongeren die in het buitenland hadden gestudeerd. Al snel bleek dat het een ervaring is waar de verschillende deelnemers eigenlijk geen woorden/gebaren voor hadden om het te beschrijven… “men moet het zelf meemaken om te weten wat het is” was de algemene ondertoon van het hele panelgesprek. Toch bleken Gallaudet, het CDS in Bristol, Frontrunners in Denemarken en de universiteit van Jyväskylän yliopisto (dénk ik toch) in Finland allemaal één ding gemeen te hebben: ze geven aan een Doof iemand het gevoel dat ze echt gelijkwaardig zijn aan de ander. Natuurlijk gebeuren er nog wel wat schoonheidsfoutjes op de verschillende universiteiten, maar steevast was de ondertoon van elke getuigenis zeer positief. Als iemand in Bristol wil telefoneren, zal hij/zij ook gebarentaal gebruiken terwijl hij praat met de andere persoon aan de lijn. Ook al staat er misschien geen enkele Dove persoon mee te luisteren, ze hebben wel de kans om dat te doen als ze dat willen, net als wanneer een horend iemand steeds kan meeluisteren met de conversaties van iemand anders. In feite kan men zeggen dat er uitgegaan wordt van een “gebarentalige” omgeving in plaats van een omgeving waar men pakweg Nederlands, Engels of Arabisch spreekt. Het is in feite een keuze die zeer logisch klinkt, maar in de realiteit van alledag is het nog steeds erg matig. Ik heb het vroeger al gehad over de weinige tolkuren die Dove kinderen en jongeren in het onderwijs tot hun beschikking hebben, met als gevolg dat ze tot 25u van de schooltijd moeten proberen om met liplezen en zelfstudie hun plan te trekken. In Finland, Gallaudet en Bristol is de universiteit (Frontrunners is een leiderschapsproject dat strikt niet tot een universitair diploma leidt) zoveel mogelijk toegespitst op de behoeften van de Dove student, met als gevolg dat alle lessen steeds met tolken toegankelijk zijn. Dit vraagt wel wat nuance: Gallaudet is als enige universiteit echt volledig toegankelijk voor doven. In Finland en Bristol gaat het voor zover ik me herinner voornamelijk over een bepaalde faculteit of onderzoekscentrum, maar zoals eerder al gezegd is de omgeving op alle drie de universiteiten “gebarentalig”: alles en iedereen wordt er verondersteld met elkaar te communiceren in dié ene voertaal.

Misschien klinkt het voor sommige lezers allemaal nogal radicaal: moet spraak dan echt helemaal uitgebannen worden? Het is voor mij lang een dilemma geweest, omdat ik zelf zo goed praat. Alleen, er zijn er niet veel die dat niveau halen in gesproken taal, ook al omdat ik pas doof werd toen ik 3,5 jaar oud was, dus net nà de cruciale periode van de taalverwerving. En hoe goed ik ook praat, als er geen one-on-one contact is met een sprekend persoon, verdrink ik in een vloed van warrige geluiden en onbegrijpelijke lipbeelden.

Los van de economische (en in dit geval dus partijpolitieke) belangen die er meespelen in een al-dan-niet-keuze voor meer financiële middelen voor tolken, aangepast (d.w.z. op maat van elke individuele Dove of slechthorende) onderwijs en a forteriori een aangepaste maatschappij, is de keuze voor volledige inclusie van de Dove mens, net als die voor eender welke andere persoon die om één of andere reden in deze samenleving als anders wordt beschouwd, een ideologische keuze: gaan we écht voor een gelijke samenleving, of niet? Dit kan met een heel concreet voorbeeld heel wat aanschouwelijker worden gemaakt: wat zou u willen als het úw kind was: dat hij/zij een volwaardig deel van de maatschappij is en als dusdanig benaderd wordt, of dat hij/zij steeds achtergesteld blijft in vergelijking met de rest, die door het gebruik van gesproken taal een niet te onderschatten voordeel krijgen tegenover de Dove met identiek dezelfde of zelfs meer capaciteiten maar met één nadeel: de niet-functionerende oren…

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

9 september, 15.30, Ninove

De deur van mijn auto slaat dicht, nadat een rit van een dik half uur me van Gent naar het Oost-Vlaamse Okegem heeft gebracht, een deelgemeente van Ninove. Aan het plaatselijke parochiehuis spelen een aantal kinderen in het kleine speeltuintje, en het enige dat amper doet merken dat hier Doven rondlopen, zijn de snelle gebaren die ze al spelenderwijs naar elkaar maken. Het zijn gebaren die verder gaan dan de gewone “gestures”, de dagelijkse wijs-, waarschuw-, plaag-, en andere signalen die alle mensen ter wereld wel eens naar elkaar maken. De open deur van het gebouw wenkt, en ik kom binnen in een wereld waar geroezemoes in de lucht hangt, maar het lijkt geen geroezemoes van stemmen, iets dat zelfs ik kan onderscheiden met het hoorapparaat dat rond mijn rechteroor hangt. Kleine fluisterende gebaren en weidse halen door de lucht wisselen elkaar af als al het volk zonder gebruik te maken van gesproken taal met elkaar communiceert. Ik kom weer een beetje thuis, al ken ik op het eerste zicht niemand in de zaal.

Men verwacht me al voor de lezing die ik hier om 16u moet geven. Doel: dove mensen het één en ander bijbrengen over de gemeentepolitiek en de nakende verkiezingen van 8 oktober. Toen dovenorganisatie Fevlado enkele maanden geleden het bericht verspreidde dat ze in samenwerking met Toemeka aan dit project werkten en daarvoor enkele vrijwilligers zochten om naar de mensen toe te gaan, moest ik niet al te lang nadenken voordat ik me kandidaat stelde.

En daar stond ik dan in Okegem City. De zenuwen begonnen toe te slaan, het was de eerste keer dat ik een lezing zou moeten geven voor een publiek van Dove mensen, en dat in gebarentaal. Wie me al kent, weet namelijk dat ik, hoewel doof, opgegroeid ben met gesproken taal in een prima gezin. Het begon al bij de voorbereidingen, toen ik besefte dat ik enkele levensbelangrijke gebaren niet kende. Democratie, liberalisme, socialisme, ik twijfelde zelfs over het gebaar van ‘verkiezingen’. Enfin, dove collega’s hebben me uit de nood geholpen, en na ietwat opvallende uitingen van democratie kon ik aan de slag. Alles leek dus ok.
Alleen, mijn zenuwen lieten me niet los, en het hielp niet dat het aloude (mythische, want berustend op een mythe, we komen soms heus wel op tijd!) credo der Doven, “Kom vooral overal te laat!” net vandaag in de praktijk werd gebracht. Toen we om 16.45 uiteindelijk van start gingen, was er heel wat water door de Maas gevloeid, wat eigenlijk nogal wiedes is: de dove mensen zien elkaar niet elke dag, zelfs niet elke week. Die ene keer per maand dat het parochiehuis zijn deuren voor hen openstelde, maken ze dan ook dankbaar gebruik van de kans om samen te zijn. En daar hoort praten bij. Veel praten. Verkiezingen kunnen hen dan gestolen worden, en ik kon hen niet eens echt ongelijk geven.

Toen we dan uiteindelijk van start gingen, kreeg ik een eerste kleine paniekopstoot. Alles was geoefend, alles was ingestudeerd (tot groot jolijt van mijn vriendin en haar broer, die me voor de laptop zagen werken en bij momenten tegen het scherm – mijn denkbeeldig hooggeeërd publiek – begon te gebaren), maar de twijfel bekroop me even. Even, toen bleek dat de helft van het publiek franstalig was (of alleszins gebruik maakte van de waalse gebarentaal). Nadat ik mijn angstduiveltje vakkundig terug in zijn hol had gepropt, lukte het me om me terug op mijn inhoud te concentreren, en niet op de gebaren die ik maakte (een gouden tip om beter te gebaren: denk niet na bij je bewegingen, denk aan de inhoud).
Afgezien van de paar momenten dat mijn handen in de knoop raakten, denk ik dat het duidelijk was. Next week naar Sint-Niklaas. En tenslotte op WereldDovenDag. Sta me toe om nu reeds met de bibbers te zitten voor dat laatste.  Mensen die me graag zien zweten, zijn op 23 september van harte welkom in Diepenbeek!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Deaf/Deafhood

School Time

‘t Was vandaag de eerste schooldag voor mij. Het is te zeggen: voor de kinderen en jongeren die in onze leefgroepen verblijven, was het vrijdag al de eerste dag, maar ik zag hen vandaag pas weer na twee maanden afwisselend hete en natte zomer. Het was alsof het gisteren was: de gangen gonsden van het lawaai zoals alleen doven ze kunnen maken (lees: zo luid dat andere doven het zouden kunnen horen. Of toch bijna), de opvoed(st)ers gaan elk op hun eigen manier met de drukte om, en buiten roept het voetbalveld om de noppen die het twee maanden lang heeft moeten missen.

De verhalen over de reizen naar Turkije, Spanje, de Belgische kust en andere (alleszins in juli) warme oorden missen hun uitwerking niet op de anderen. In de meest expressieve gebarentaal worden vliegtuigen getoond op weg naar verre en iets-minder-verre landen, en een nét niet crashend intermezzo op de eettafel later zweven de handen door de lucht, onderwijl een pracht van een taal vormend. En het is heus een échte taal, mensen. Ik zie enkelen onder jullie met groot uitgevallen wenkbrauwen fronsen, glimlachen met een ongelovige blik, onderwijl “Marie, er is hier een malloot die zegt dat gebaren een echte taal is!” roepend naar de keuken.

En toch is het een echte taal. Ga maar eens na wat de eigenschappen zijn van jouw eigen taal? Wat maakt jouw taal nu eigenlijk tot een taal? (dit wordt een stuk met veel te vaak het woordje taal. Ik voel het.).  Hockett heeft in 1961 gevonden dat alle talen bepaalde eigenschappen delen.  Een taal is interactief, het dooft snel uit (de woorden blijven niet “hangen” in de lucht, zeg maar, maar nadat ze uitgesproken zijn, zijn ze ook voorbij), taal is creatief (je kan nieuwe woorden en gebaren bedenken), je kan ermee verwijzen naar iets of iemand dat/die op dat moment niet aanwezig is, enz… het zijn allemaal eigenschappen die gebarentalen ook bezitten.  Gebarentalen, indeed: net zoals elk land zijn eigen gesproken ta(a)l(en) heeft, heeft ook elk land zijn eigen gebarenta(a)l(en) en eventuele dialecten daarvan.

Enfin, ik weid uit… het schooljaar 2006-2007 is begonnen. Hallelujah!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized