Bruggen bouwen: het belang van gebarentaal en dovencultuur.

noot: ik besef dat deze tekst zeer lang is, maar ieder woord erin is in het gevoelige debat van belang.  Lees aub de hele tekst, ondanks de lengte. 

Ik las op het weblog van Maartje De Meulder een opiniestuk, dat (even diep ademhalen) een reactie was op een opiniestuk van een lid van VLOK-CI, de ‘vereniging voor ouders van kinderen met een cochleair implantaat (CI)’, dhr. Bolle.  Dit opiniestuk stond in de nieuwsbrief van ONICI, een ‘onafhankelijk centrum voor informatie over cochleaire implantatie’.  Deze , naar ik vermoed, vader van een doof kind met CI schreef op zijn beurt naar aanleiding van een (zo noemt hij het zelf) open oorlog tussen twee visies die een tijd voordien in de Standaard aan bod waren gekomen.

Volgens deze ouder werd het of-of denken in dit debat naar voor geschoven, een soort van denken waar men bij VLOK-CI niet achter zegt te staan, van “of gebarentaal”, “of CI”.  Aanleiding van deze hele polemiek was het pensioen van de hoofdarts van Kind&Gezin, die de harde bewoordingen niet schuwde en het misgunnen van een CI aan een doof kind ‘op het randje van kindermishandeling’ noemde.  Zo’n uitspraken werken in de dovengemeenschap als een rode lap op een stier, en dus liet Maartje De Meulder, zelf doof, zich van haar spitante kant zien bij haar repliek, een week later in diezelfde Standaard.

Naar mijn mening zijn het niet beide partijen die de zaak op de spits drijven.  Dr. Van Kerschaver doet dat wel, waarover later meer.  Door de directe schrijfstijl van Maartje komt de inhoud van haar betoog blijkbaar niet bij iedereen, en ook niet bij de schrijver van het opiniestuk in de nieuwsbrief van VLOK-CI, aan (de laatste post van Maartje weerlegt voldoende de meeste argumenten van het artikel, daarover zal ik het hier dan ook niet echt hebben). Ook enkele reacties op de weblog van Maartje zelf gingen door op hetzelfde stramien, namelijk het versterken van de eigen positie.  Dat is zeer jammer, omdat de dovengemeenschap net dolgraag bruggen wil bouwen met de ouders van dove kinderen, in het belang van die kinderen zelf.

Maartje De Meulder bedoelt niet dat er een of-of keuze is. Een volledige alinea uit haar artikel gaat er net over dat er eigenlijk geen keuze is, dat de fase van en-en in de praktijk eigenlijk al verloren lijkt. Een implantaat voor jonge dove kinderen lijkt eerder een verworven recht, wat evengoed blijkt uit de cijfers die dhr. Bolle in zijn opiniestuk aanvoert: als 94% van de doofgeboren kinderen een implant krijgt, is er sprake van een verworven situatie, punt. Met wat niet eens overdreven mentale creativiteit is de vergelijking met een lopende band, zoals Maartje De Meulder stelt, niet eens zo vergezocht: het is letterlijk het ene kind na het andere, met slechts af en toe een uitzondering.

Dat wil echter helemaal niets zeggen over de begeleiding of de ernst waarmee naar de operatie toe gewerkt wordt: ik ben er zeker van dat elk medisch team zijn taak in alle ernst uitoefent, vanuit hun visie.  Ik wil wel de bedenking maken dat er weliswaar door ouders van een kind met een CI aangegeven wordt dat er vanuit het medisch team veel ondersteuning en begrip is bij het maken van de keuze, maar bij de meeste ouders die lid zijn van VLOK-CI, leidde het denkproces dan ook nagenoeg altijd tot een CI.  Het begrip dat van het medische team uitgaat is een stuk kleiner bij ouders die niet voor een CI kiezen: er zijn evengoed verhalen bekend van ouders die als slechte vader en moeder werden bestempeld omdat ze geen CI wensten voor hun kind.  Dr. Van Kerschaver stelt zelf onomwonden dat hij zoiets op het randje van kindermishandeling vindt.

Het is een gevoelig punt dat ik nu aanboor, maar ik vind dat ik het moet zeggen: horende ouders van dove kinderen maken elke keer weer, maar mijn mening, een denkfout.  En het is een denkfout die bijna niet te vermijden valt, als een vorm van antropocentrisme (het idee dat de mens de maat is van alle dingen), laten we het audiocentrisme noemen: wie horend is kan zich heel moeilijk een beeld vormen van wat het is doof te zijn.  Deze denkfout is zelfs helemaal niet te vermijden als ouders niet op de juiste manier geïnformeerd worden.

Met doof zijn bedoel ik niet een paar uur lang niets of weinig horen, maar je hele leven door.  Horend zijnde, is dat een zeer beangstigende gedachte, net omdat het haaks staat op een fundamenteel aspect van de horende identiteit, nl. het horen zelf en het belang en de waarde ervan in het dagelijkse leven, gaande van de schoolbel over stemmen van dierbaren tot muziek. Wie horend is hecht bewust of onbewust groot belang aan alle auditieve waarschuwingssignalen en de dagelijkse zekerheid van altijd, maar dan ook altijd, geluid om je heen te hebben.  De gedachte dat dit niet zo is, is voor heel wat horende mensen ondraaglijk, laat staan als het hun eigen kind betreft.

Voor doven, ook voor hen met een hoorapparaat of een CI, is die situatie helemaal anders.  Er is op zich geen probleem met doof zijn, maar in een maatschappij die barst van de auditieve signalen, is het wel een nadeel.  Maar dat nadeel is veelal op het praktische vlak.  Je merkt duidelijk bij doven die de Dovencultuur met zich meedragen dat zij het niet missen dat ze niet of niet goed kunnen horen. Ze missen ‘horen’ voor zoverre het hun praktische integratie belemmert en merken dat ze bepaalde kansen niet krijgen door hun beperking (wat het nu eenmaal is in een maatschappij die de waarde van spraak duidelijk boven gebarentaal stelt), maar het is voor hen geen identiteit, en ze kunnen het zich ook niet voorstellen wat dat dan wel zou betekenen, een horende identiteit.  Horend zijn is voor hen een abstract concept, net zoals doof zijn een abstract concept is voor horende mensen.

Kinderen met een CI dreigen wal noch schip te raken, veel meer dan horende mensen of dan dove mensen die gebarentaal als eerste of goede tweede taal hebben.  Het is fout om de roep van doven om die kinderen ‘te brengen waar ze thuishoren’, te verstaan als een roep om de Dovencultuur niet te laten uitsterven, een roep dus uit puur eigenbelang.  Dat speelt zonder twijfel ook wel mee, maar van veel groter belang is de waarde van de cultuur voor het dove kind zelf.  Want hoe men het ook draait of keert, er is tot nu toe geen enkel kind of volwassene geimplanteerd die 100% hetzelfde niveau van spraakverstaan behaalt als een “normaalhorend” iemand, laat staan het niveau van muziekbeleving, herkenning van alle geluiden uit de omgeving, enz… En het zal nog een hele tijd duren voordat zo’n “ideale CI” wordt uitgevonden. Waarschijnlijk gebeurt het nooit, tenzij men de werking van de hersenen – bakermat van alle zintuiglijke ervaringen – ooit helemaal doorgrondt. Een doof kind met een CI zal nooit horend worden, maar slechthorend.  En de invloed van het CI op het niveau van spraakverstaan wordt steeds beter, maar het is nog lang geen 100% in alle mogelijke situaties.  En willen we dat kinderen opgroeien tot volwassenen zonder dat ze weten wat dat is, ergens gewoon bij’horen’ zonder doorlopende inspanning en concentratie?

En de vraag die dan uiteindelijk volgt, is een ethische, die eigenlijk volledig los staat van de vraag rond het plaatsen van een CI bij pasgeborenen. Als we weten dat er maar één cultuur en communicatievorm is waar een doof of slechthorend iemand alles, maar dan ook alles kan begrijpen, gaande van gefluister (ja, in gebarentaal kan men fluisteren) over groepsgesprekken tot emoties (want wie kan het gevoel van ontheemdheid, van onzekerheid over leven in de horende wereld, maar ook van vreugde om het bestaan van zoiets als dovencultuur, beter begrijpen dan een andere dove?), is het dan eigenlijk niet juist heel erg logisch dat gebarentaal simpelweg een recht hoort te zijn?

En dat net die doven die de waarde van die taal echt kunnen inschatten, of ze nu grotendeels in gebarentaal dan wel in gesproken taal, in een horende dan wel dove cultuur leven, het hardst roepen naar de ouders van die dove kinderen, om dan machteloos te moeten merken dat de boodschap aan die ouders maar niet overkomt?

Horende ouders onderschatten hoe moeilijk en hoe inspannend de integratie elke dag opnieuw verloopt. Ik wil daarmee niet zeggen dat ze niet meeleven met de moeite en het gestruikel van hun kind op het auditieve en sociale vlak.  Doof zijn is veel meer dan alleen maar niet kunnen horen.  Daar kan ik, net als alle andere doven, wel van meespreken. Op driejarige leeftijd werd ik doof en mijn ouders kregen in die tijd (we spreken over 1980, toen de ideologie – want dat is het – van het oralisme hoogtij vierde) het advies mij volledig oraal op te voeden, dus zonder enige vorm van visuele ondersteuning. Was ik niet per toeval voor mijn eerste werkervaringen in een MPI beland waar gebarentaal volwaardig als deel van de dove identiteit werd benaderd, ik was nu waarschijnlijk nog altijd aan het ploeteren met wie ik was en ben, want toen ik 20 (!!) was had ik daar nog geen flauw benul van.  Ik leerde op dat MPI elke dag weer met eigen ogen hoe wezenlijk gebarentaal was om gewoon te kunnen zijn wie ik was, en het stuurde mij richting dovengemeenschap.

Wie mij kent weet dat ik nu nog steeds grotendeels in het gesproken Nederlands communiceer, zowel thuis als op het werk als in mijn vrije tijd (al dan niet met ondersteuning van een tolk op de plaatsen waar ik het nodig acht), maar ik weet dat als ik me (behalve dan bij mijn gezin) thuis wil voelen, ik naar plaatsen moet waar gebarentaal als bindmiddel tussen mensen aanwezig is, en dat is de dovengemeenschap.  Kunnen spreken is een voordeel, en het staat buiten kijf dat een CI een grote hulp (kan) zijn voor het aanleren en efficiënt gebruiken van deze gesproken taal in het dagelijkse leven. Maar gebarentaal kennen is dat minstens evenveel.

Ik gebruik een hoorapparaat, en technisch gezien is een CI niet meer dan een veel verbeterde versie van zo’n hoorapparaat.  Ethisch zijn er volgens verschillende auteurs (o.a. Harlan Lane, Paddy Ladd,…) wel vraagtekens te plaatsen bij het implanteren van kleine kinderen en die ook geen ongeneeslijke en pijnlijke ziekte onder de leden hebben, maar evengoed zijn er valabele argumenten te geven om dat net wel te doen.

Maar daar gaat het dus om in dit hele debat niet om.  Er wordt soms gesteld dat gebarentaal een recht is en een CI een keuze.  Dat is volgens mij correct.  Ik wil hiermee aangeven dat de vraag voor of tegen een CI eigenlijk irrelevant is, dat moet iedere volwassene (en iedere ouder voor zijn of haar kind) in eer en geweten voor zichzelf uitmaken, en ik weet dat iedereen dat ook doet: de keuze voor een CI is geen lichtzinnig onderwerp, zeker niet voor ouders die opeens hun droom van een in hun ogen “normaal” kind uit elkaar hebben zien spatten.  Een CI is ondertussen ook een door de maatschappij en de bedrijven (vergis u niet, het is een miljardenbussiness) breed gedragen en ondersteund hulpmiddel om de integratie van een doof iemand in een horende wereld te bevorderen.  Die realiteit negeren is onzinnig.

De realiteit is er, door de voortdurende technologische vorderingen, dat een CI een waardevol element kan zijn voor de integratie van een doof kind in de horende maatschappij. En dat is fantastisch, als het de mogelijkheden van het kind vergroot. Het is echter een heel andere zaak om een doof kind de taal en de cultuur waarin hij zich, net omdat hij doof is, ook méé thuis zal voelen, te ontzeggen, om welke reden dan ook.

Het gaat ver, veel te ver, om de stelling dat het het recht van een doof kind is om tenminste in één cultuur echt ‘thuis’ te kunnen zijn, als extremistisch te beschouwen.  Het omgekeerde is eerder waar: net het weghouden van een doof kind uit een plek waar hij mogelijks echt rust zal kunnen vinden, is extreem.  Net zoals een doof kind soms op latere leeftijd ervoor kiest om zijn CI niet meer te dragen (en de voorbeelden zijn er), zullen andere dove kinderen er ooit voor kiezen om niet meer naar de dovengemeenschap te gaan, zoals nu ook al gebeurt.  Dat is evengoed oké, omdat ze als volwassenen die keuze kunnen maken.

Want vaak, en ik vrees dat ik hier een teer punt raak, is het de beperkte draagkracht van de ouders die hier meespeelt, naast de foute ideeën die ze hebben opgedaan over de dovenwereld, onder andere door het misbegrijpen van artikels zoals die van Maartje De Meulder in de Standaard.  Begrijp wel heel goed: de meeste ouders gaan door het vuur voor hun kinderen, en doorlopen een waanzinnig lange periode vol met bezoeken aan ziekenhuizen, audiologen, logopedisten, ergotherapeuten, gebarencursussen, soms (semi-)internaten en zo veel meer.  Ouders gaan dus door het vuur, zoals mijn ouders voor mij door het vuur zijn gegaan en ik ook voor mijn kinderen door het vuur ga. Ik heb er dan ook alle begrip voor als ouders met hun kinderen in NmG bezig zijn, want er is tenminste een duidelijke visuele ondersteuning.  Maar het is geen taal waarin ouders en kind diepgaand vlot kunnen communiceren over bepaalde thema’s.

Ik wil even verduidelijken dat ik niet wil zeggen dat doven bij hun horende geliefden niet “thuis” kunnen zijn.  Dat kunnen ze natuurlijk wel, maar ze vatten niet altijd alles wat om hen heen gebeurt.  En iedereen die al in omstandigheden was waar de realiteit onzeker was (en vaak ook blijft) kan zeggen dat zo’n ervaringen er soms diep in hakken, tot op een dag de bom barst.  Er zijn legio voorbeelden van doven die in hun jongvolwassenheid de dovenwereld echt leren kennen, en ook zwaar rebelleren tegen hun horende thuis.  Dat is net wat wij als doven niét willen,  het belang van een veilige familiehaven kan niet genoeg benadrukt worden.

Contact met de dovencultuur kan het kind de identiteit meegeven om met zulke conflicten en onzekerheiden op een juiste manier om te gaan, en de deukjes in het zelfbeeld opnieuw te ontdeuken.  Mensen met een CI zijn door hun hulpmiddel beter in staat tot het opvangen van deze gaten in de communicatie dan mensen met een hoorapparaat, maar geen enkele betrokken ouder zal durven stellen dat zijn of haar geïmplanteerde kind alle auditieve signalen meeheeft, dit in tegenstelling tot zijzelf.  De enige communicatievorm waarbij die constante inspanning en onzekerheid niet nodig zijn, is gebarentaal, en dat blijf ik herhalen.  En het is fijn, kan ik uit ervaring zeggen, dat deze taal, maar vooral deze visuele wereld, er altijd is om op terug te vallen, ook al spreek ik goed Nederlands en red ik me met spraakafzien wel uit zo goed als elke situatie denkbaar.

Het belang van gebarentaal in het gezin is groot.  Bij heel wat gezinnen met een kind met CI wordt een tussenvorm, zoals Nederlands met gebaren, gebruikt om te communiceren.  Dat is binnen de veilige haven van het gezin een rustpunt en een zekerheid, maar in de buitenwereld, vaak zelfs al bij de grootouders en andere nabije familie, valt dat hulpmiddel vaak weg. Ook voor de ouders is het voortdurend hanteren van een visueel communicatiemiddel die ze zelf met gebarencursussen hebben geleerd (waar je hoogstens een initiatie krijgt, in tegenstelling tot tolkenopleidingen), een zware opdracht.  Binnen de dovenwereld is er groot respect voor horende ouders die zonder voorbehoud de sprong durven te maken over de kloof die tussen de horende en de dovenwereld hangt. Onder andere door het gebrek aan (of beperkte) ondersteuning bij de overheid om gebarentaal als evenwaardig met gesproken taal te benaderen, maakt is deze kloof voor ouders op dit moment vaak nog veel te diep.

Dat brengt mij ook bij het punt van “informed consent” waar dhr. Bolle naar verwijst, en dat inhoudt dat ouders bij het maken van een keuze alle standpunten evenwaardig moeten aangeboden krijgen.  Ook al zeggen heel wat ouders dat zij zijn geïnformeerd over gebarentaal, men moet zich durven afvragen wat in deze situatie “informed consent” (vertaald: toestemming op basis van volledige informatie) echt betekent.  Is er in de periode die aan de keuze voorafging, enig contact geweest met een dove die een cultureel dove, gebarentalige identiteit heeft?  Is er een rondleiding geweest bij een dovenclub?  Bij een doof gezin?  Werken de medische centra samen met dovenverenigingen om deze overstap en kennismaking vlotter te laten verlopen? Is doofheid door de medische staf ooit benaderd als iets dat niet per se negatief is, geen verschrikking is? Is er een dove volwassene (of bij voorkeur zelfs méér dan één) met een gebarentalige identiteit lid van enig team onderweg naar de volwassenheid (gaande van de psychosociale dienst van het implantatieteam tot thuisbegeleidingsdiensten en internaten)? Ik vermoed dat voor de meesten van de ouders van VLOK-CI de meeste antwoorden negatief zullen zijn.

De overheid werkt ook niet echt mee, en beperkt de bewustmaking van horende ouders vaak nog tot het strikt minimale.  Het louter financiële aspect van de zogezegde keuze tussen CI en gebarentaal, zou op zichzelf nooit een voldoende argument mogen zijn om de goedkoopste keuze te maken, wat het CI op lange termijn is.  De kostprijs van tolken ligt evenredig gezien waarschijnlijk hoger, maar op de totale begroting waarover de Vlaamse regering kan beschikken, is het niet meer dan een druppel.  Maar wel een heel erg belangrijke, net omdat gebarentaal – zo blijkt ook uit onderzoek – voor een beter zelfbeeld en sterkere identiteit van dove kinderen leidt.  Het is ook niet zo dat zij tijdens hun volledige leven in de horende maatschappij afhankelijk zouden zijn van een tolk.  Dit gaat zeker op bij een groot deel van de kinderen met een CI, die één-op-één-gesprekken voldoende goed of zelfs prima kunnen voeren met behulp van gesproken Nederlands en hun CI. Al opgroeiende in de horende wereld zullen zij zelf op een gezonde manier, door de loop der jaren heen, voor zichzelf bepalen wanneer zij zich goed voelen bij het gebruik van een tolk, en wanneer niet.

Het is opvallend dat er bitter weinig onderzoek gebeurt naar het sociale welbevinden van kinderen met een CI.  De weinige die dat wel doen, en zeker als het onderzoek werd gedaan door mensen met een echte affiniteit naar de leefwereld van doven in de horende wereld, laten een verbazend duidelijk en eenduidig beeld zien van angst, onzekerheid en vragen, heel veel vragen.  Een onderzoek naar het welbevinden van dove kinderen in het gewoon onderwijs in West-Vlaanderen (zeker lezen, zeker als u ouder bent van een doof kind) bracht mij enkele jaren terug zelfs fysiek aan het huilen, omdat ik zoveel van de vragen en zorgen van die jongeren herkende.  Ik was eveneens een ‘oraal succesverhaal van integratie’, maar de eenzaamheid heeft me nooit zo zwaar getroffen als in mijn middelbare schooljaren.  Het mag dan wel zijn dat “90% van de kinderen die in het eerste levensjaar worden geïmplanteerd succesvol integreren in het gewoon onderwijs”, maar tenzij het kind één van die absolute uitzonderingen is, zal de sociale integratie veel moeilijker verlopen, onder het laagje vernis van ‘het ging goed op school vandaag’ en de rapporten die dat bevestigen.  Men zou eens mogen bedenken dat een succesvolle integratie niet afgerekend wordt op basis van de schoolse resultaten, maar wel op basis van het opbouwen van een identiteit die de dove klaarstoomt voor de woelige baren van de jeugd en volwassenheid.

En daarom, beste ouders, zijn de dovengemeenschap en haar unieke manier van communiceren, zo belangrijk.  En daar hebben we u bij nodig.

4 reacties

Opgeslagen onder allerlei

Identiteit en euthanasie

Het nieuws ging de voorbije dagen de wereld rond, en ook de dovengemeenschap wereldwijd staat in rep in roer door de in het begin nogal ongenuanceerde nieuwsberichten  dat twee doofblinde tweelingsbroers euthanasie verkozen boven een verder leven in isolatie (voor een vrij volledig overzicht van de artikelen in Vlaamse media, zie hier). Ook in buitenlandse media – die vaak al even ongenuanceerd het nieuws overnamen van hun Vlaamse collega’s –  kwam het onderwerp vrij prominent ter sprake, aangezien het de eerste keer was ooit dat een tweeling ervoor koos om op hetzelfde moment te sterven).  Ik zat erbij, en keek naar de wildgroei aan (meestal emotionele) argumenten op facebook en andere sociale media dat doofblinden wél een goed leven kunnen hebben, wél recht hebben op leven, wél wél wél.  Terwijl uit de eerste artikelen die over het onderwerp verschenen, eigenlijk weinig feitelijke en juiste informatie te halen viel om te kunnen oordelen over hun eigen keuze.  Zo is de dagen nadien ook gebleken: de dove broers hadden wel wat meer “problemen” dan enkel doof en toekomstig blind; beide broers hadden ruim hun deel van de koek gehad op het vlak van fysiek labeur en afzien.

En zo bleek ineens de atmosfeer op de sociale fora om te slaan, en werd de media het doelwit.  Ook de Federatie die alle Vlaamse dovenverenigingen vertegenwoordigt, Fevlado, liet in een opiniestuk  weten dat de media ook maar eens aandacht mochten gaan hebben voor een sociale benadering van de situatie, in plaats van steeds opnieuw op dezelfde medische nagel te kloppen en de daarbij horende terminologie te hanteren.

Het geeft me allemaal een onbevredigend gevoel.  Ja, de media hebben een hoop schuld aan de foute beeldvorming.  De terminologie kan (veel) beter, het onderzoek een stuk nauwgezetter, het artikel een stuk genuanceerder.  Ja, de broers hadden in dit land recht op euthanasie.  Mensen hebben in dit land wettelijk het recht en de mogelijkheid om in zulke situaties uit het leven te stappen, en we geven hen daar meestal ook gelijk in, net zogoed als wij een groot respect hebben voor mensen die ervoor kiezen om hun lijden waardig te blijven dragen. Maar de wet in België (die ongezien progressief is in vergelijking met de wetgeving in de rest van de wereld) laat echter ook een deur open voor mensen die wensen te sterven, niet omwille van een fysiek, maar omwille van een psychisch lijden.  Personen die reeds jaren, om niet te zeggen decennia, lijden aan een langdurige en uitzichtloze depressie en bij wie alle mogelijke behandelingen niet het verhoopte resultaat met zich meebrachten, hebben dan – als er tenminste 3 geneesheren unaniem hun toestemming geven na een langdurig begeleidingsproces – eveneens de kans om menswaardig uit het leven te stappen.  De notie ‘psychisch ondraaglijk lijden’ wordt niet expliciet uitgelegd in de wet, wat dus kan zorgen voor onverwachte “gebruikers” van die wet, zoals in dit geval dus twee dove mannen die heel wat fysieke ongemakken hadden en binnen afzienbare tijd blind zouden worden.  Zij kregen van de geneesheren groen licht, omdat deze artsen, afgaande op het verhaal van deze twee mannen, geloofden dat het toekomstig leven van die broers voor hen een ondraaglijke mate van psychisch lijden met zich zou meebrengen.

Maar eigenlijk gaat het daar voor mij in deze hele discussie niet eens om.  Voor mij zit de baseline van dit verhaal veel dieper.  Euthanasie is erg existentieel thema, die ons raakt in het diepste van wie we zijn: wanneer vinden we onszélf oké genoeg om het leven de moeite waard te vinden?  En hebben we het recht om, als we ons eigen leven niet waardevol en kwaliteitsvol genoeg vinden, zelf over ons eigen levenseinde te beslissen?  Want ik wil toch even met klem benadrukken dat euthanasie uitgaat van de eigen vraag van de persoon zélf.  Er is geen sprake van enige vorm van moord of schending van mensenrechten, deze tweelingbroers hebben zélf beslist, autonoom, dat ze hun leven niet oké meer vonden.

Wie oordeelt over het menswaardige van iemand anders’ leven, oordeelt ook altijd over zijn of haar eigen bestaan.  Want natuurlijk kunnen doofblinden een schitterend leven hebben en een bijdrage leveren aan de maatschappij en aan de gemeenschap.  Maar wij mensen botsen hier op de grenzen van ons mens-zijn: we kunnen ons maar tot op een bepaald niveau inbeelden hoe het is om de ander te zijn, of die nu moslim is, of een persoon met één of andere handicap (of een resem tegelijk) of de tiener die we morgen kruisen op straat.  Voor mij, volwassen dove, is doofzijn geen issue meer, laat staan een medisch gebrek, maar de gedachte blind te worden, maakt me zeer nerveus.  Maar ik weet ook dat er doven rondlopen die van dat doofzijn wél een groot thema maken, en lijden onder hun niet kunnen horen.  Zo ook zijn er doofblinden die hun identiteit hebben kunnen losrukken van een al te medische benadering (onder andere dankzij een grotere toegankelijkheid door de enorme technologische vooruitgang van de voorbije jaren), en doofblinden die daar niet in slaagden, zoals de broers Verbessem.

Daar heeft de maatschappij een grote verantwoordelijkheid.  Maar dat is een strijd die op zeer lange termijn gevoerd moet worden, en waarvan doven zich soms afvragen of we, ondanks de formele verwezenlijkingen zoals de erkenning van de Vlaamse Gebarentaal en het bekijken van TV-programma’s met ondersteuning van (Het Journaal) of in (See Hear op BBC), eigenlijk wel een stap verder geraakt zijn, als journalisten ondanks tientallen lezersbrieven nog altijd spreken over de “doofstomme”, de “allochtoon”, “de gehandicapte”,… of als “serieuze” artikels in “serieuze” kranten noodzakelijke aanvullende informatie voor een juiste beoordeling van de situatie gewoon niet eens vermelden.  De verschillende overheden hebben dan ook een grote taak om de samenleving blijvend te sensibiliseren over andere culturen en minderheidsgroepen.  Van jongsaf aan moet in het basis- en secundair onderwijs dan ook veel meer aandacht uitgaan naar morele opvoeding, de psychologie van de ander, antropologie en het leren samenleven met en erkennen van andere culturen.  Want mensen, ook doven zelf, zitten vaak nog vast in het negatieve straatje van “wij” en “de ander”, waarbij iemand die gewoonweg om één of andere reden anders is, daardoor negatief wordt benaderd.   En de basis daarvan ligt dus in het onderwijs.  Tegenwoordig is de kans dat je in een monoculturele klas zit, zo goed als nihil.  En door een te ver doorgeschoten medicalisering van kinderen zit er waarschijnlijk ook nog iemand bij met dyslexie, leerproblemen of andere ADHD’s.  Maar wat leren de kinderen er écht over hun medeklasgenootjes?  Maakt dat een wezenlijk deel uit van het klasgebeuren?

Alle culturen en handicaps hebben recht op een eigen positieve identiteit, en die komt niet enkel uit henzelf, maar wordt hen ook door alle mogelijke kanalen in de samenleving aangereikt, waarvan het onderwijs waarschijnlijk de belangrijkste is.  Een verdiende tweede is de media, en die heeft, zo blijkt na jaren waarbij verschillende belangengroepen hebben geijverd voor juiste beeldvorming, zeker ook nog wel wat te leren.  En natuurlijk mogen we ook het gezin niet vergeten.  Maar het gezin, zoals al gezegd, is zelf ook onderhevig aan de invloeden van de eigen maatschappij, en neemt de beeldvorming evengoed al te vaak over.  We doen het allemaal. Maar dat diepe instinct binnen in ons, ons ingepraat door de evolutie, de angst voor de ander, zou in een beschaafde samenleving op lange termijn geen plaats meer mogen hebben.

De lange termijn is dus één, de korte termijn is iets volledig anders.  De wereld loopt vol met mensen die om één of andere reden in die mallemolen van indrukken die de wereld is, een negatieve identiteit hebben ontwikkeld en niet gelukkig meer zijn met zichzelf en hun plaats op deze wereld.  Een zeer kleine minderheid daarvan wenst ook effectief een einde te maken aan zijn of haar psychische lijden.  Zolang die gelijkheid er niet is, zolang mensen in deze samenleving de kans niet krijgen om volwaardig te kunnen zoeken naar een positieve identiteit voor zichzelf, zal een kleine minderheid gebruik willen maken van die ene, laatste stap.  En wie zijn wij om daar nee tegen te durven zeggen?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Deaf/Deafhood, Ethica, Filosofische overpeinzingen

enkele bedenkingen over het gebrek aan tolken voor doven in het onderwijs

Een deel van de Vlaamse Dovengemeenschap staat in rep en roer.  Vorig jaar vonniste het Hof van Beroep in de zaak van 3 ouderparen tegen de Vlaamse Regering dat de jongeren, om adequaat de lessen te kunnen volgen op school, tot 70% van de lesuren een tolk moeten kunnen gebruiken als zij daar nood aan hebben.  Weliswaar ging het in deze zaak enkel over die drie specifieke jongeren, maar voor de Vlaamse Dovengemeenschap was dit een symbooldossier, net als de strijd voor de culturele erkenning van de Vlaamse Gebarentaal.  Deze rechtszaak ging uiteindelijk veel meer Dove scholieren en studenten aan die het bij hun integratie in het gewoon onderwijs op dit moment met ongeveer 20 à 30% getolkte lesuren moeten stellen (wat dus neerkomt op één dag per week. De rest moeten ze zelf maar uitzoeken).

Van de Vlaamse Regering werd dan ook verwacht dat zij in actie zou schieten en het vonnis van de rechtbank zou uitbreiden naar heel wat meer tolkuren voor alle doven die een bepaalde vorm van onderwijs volgen.  Wat dus, zo bleek deze week, alvast niet het geval zal zijn voor september 2012.  Als men weet dat de Vlaamse Regering al jarenlang talmt om het aantal tolkuren te verhogen, kan men begrijpen dat bij heel wat mensen (Dove jongeren en hun al dan niet Dove ouders) de maat stilaan echt wel vol is.

Alleen… hoe moet men een Vlaamse Regering bijna “dwingen” om haar houding te herzien?  Hoe moet men regeringen tout court doen inzien dat er toch iets vreemds aan de hand is als eender welke persoon van buitenlandse afkomst die naar het gemeentehuis van een centrumstad trekt, een tolk in zijn taal kan krijgen indien nodig (en volledig terecht!), maar dat Doven hun eigen tolk moeten meebrengen? En zelfs zelf moeten betalen als ze er té geregeld gebruik van maken?  Om een regering te laten begrijpen dat 33 euro bruto per uur voor een tolk toch wel erg weinig is, zeker als reistijden niet vergoed worden?  Dat dàt een belangrijke, zoniet de belangrijkste reden is waarom er bijwijlen een tekort is aan tolken omdat ze zo voltijds amper een deftig inkomen verdienen en het dus liever in bijberoep doen (nota bene net een argument van minister Smet om de niet-verhoging goed te praten: “er zijn te weinig tolken”)?   Dat het toch niet echt helemaal juist zit als de tolken voor de gemeentehuizen en andere openbare diensten echt wel een pak meer per uur krijgen voor eigenlijk hetzelfde werk, en dat is gewoon vertalen.  Dat mislukken in het onderwijs ook de deur wagenwijd openzet naar de werkloosheid en het leven van een uitkering?   Hoe moeten we het hen duidelijk maken?

Want heus, het duurt al meer dan lang genoeg.  Er is al vanalles gebeurd: betogingen, petities, onderhandelingen,… en het punt waar we nu staan, na ongeveer 15 a 20 jaar tolken in het onderwijs, is 20 tot 30% tolkuren, door tolken die dan ook nog eens barslecht betaald worden en een mottig statuut hebben, als er al sprake is van enig statuut.  Ik wil toch wel even concreter maken wat dat is: zo weinig tolkuren hebben als je schoolloopt.   Zoek online eender welke film waar dove mensen onder elkaar communiceren zonder dat er ondertitels of audiovertaling bij is.  Doe dat een hele dag lang, en je hebt ongeveer dezelfde ervaring als een dove jongere in de klas.  En dat elke dag van de week. .  En implantaten of hoorapparaten dan, hoor ik u denken?  Die helpen wel, maar nooit (read my lips: nooit) is het dezelfde ervaring als de horende jongeren in hun klas hebben.  Facebook  puilt uit van de getuigenissen van jongeren, soms zelfs “slechts” matig of zwaar slechthorend of de drager van een CI of hoorapparaat, die klagen over hun leven op school zonder tolk.

Men kan stellen dat doven in het algemeen, welke vorm van onderwijs ze in Vlaanderen ook genoten hebben, meer in de werkloosheid of de invaliditeit zitten.  Zoiets kan eigenlijk maar drie redenen hebben: de dove zelf, diens onderwijs en/of de perceptie van de bevolking (lees: de werkgevers).    Doven hebben net dezelfde capaciteiten als de rest van de bevolking, maar het doorlopende gevecht met de soms onmogelijke omstandigheden waarmee zij te maken hebben, heeft soms gevolgen op psychisch of fysiek vlak.  De maatschappij is ook een oud zeer, met heel wat mensen die doven nog altijd sukkelaars vinden met minder mogelijkheden. Wat, tenzij je gelooft dat iets in het oor dat niet werkt, gevolgen zou hebben voor de mogelijkheden van je brein, dikke zever is.  En wat het onderwijs betreft: tenzij de overheid denkt dat doven genetisch gewoon dommer zijn, zou ze wel eens oog mogen krijgen voor de financiële consequenties van haar non-beleid. Anders heeft de voltallige Vlaamse Regering, en niet alleen de minister van Onderwijs en Gelijke Kansen, niet alleen geen kaas gegeten van de juiste betekenis van “gelijke kansen”, maar evenmin van gezond financieel beheer van onze samenleving.

3 reacties

Opgeslagen onder allerlei

Een nieuwe toegankelijkheid in de media – open brief aan Wouter Vandenhaute

Geachte heer Vandenhaute,

mag ik u vooreerst, weliswaar ruim te laat, feliciteren met de aankoop van TV-zenders VT4 en VijfTV door uw holding?  Het verdient bewondering dat een man, ooit begonnen als medepresentator van  “Het huis van wantrouwen”, erin geslaagd is weinig meer dan een imperium uit te bouwen in het Vlaamse medialandschap.  U organiseert  tegenwoordig (mee) de belangrijkste Vlaamse wielerklassiekers en durfde aan om en passant enkele heilige huisjes te slopen, omdat u (naar ik aanneem) oprecht overtuigd was van het belang van verandering voor het overleven van deze klassiekers.  U richtte een weekblad op dat – let’s be honest- de concurrentie met Humo moest aangaan, moest na 30 edities de stekker eruit trekken, en kocht u samen met uw bedrijf een paar jaar later gewoon voor bijna de helft in bij Humo.
En dan alle programma’s die de laatste 15 jaar onder het Woestijnvis-label op het Vlaamse televisiepubliek werden losgelaten via het slim bedongen exclusiviteitscontract met de VRT, en die ondertussen zonder meer deel geworden zijn van het culturele geheugen van Vlaanderen: deze waren niet mogelijk geweest als u niet samen met enkele compagnons de route de moed had gehad om een productiehuis op te richten waar vrije geesten hun gang konden gaan.
En in 2011 volgde de voorlopige kers op de taart: een eigen televisiezender.  De stap van “elke avond enkele programma’s de naam Woestijnvis waardig” naar een volwaardig programmaschema van hetzelfde niveau is bijzonder groot, maar u durft het risico aan.

Toen doordrong dat de aankoop van VT4 en VijfTV als logische consequentie met zich meebracht dat alle Woestijnvisprogramma’s naar de nieuwe zender zouden verhuizen, al dan niet in een aangepaste gedaante, kreeg ik het wel even benauwd.  U moet weten, als dove man die -rotwoord, maar het is wel zo- afhankelijk is van ondertiteling, betekent de verhuis van die programma’s naar een commerciële zender die geen wettelijke verplichting (en tot op heden zelfs amper een aanzet) heeft tot ondertiteling, weinig minder dan een mogelijke ramp die zich in de toekomst zou kunnen gaan afspelen: geen Man Bijt Hond meer.  Geen Slimste Mens.  Geen De Rechtbank.  Geen Scheire en de Schepping (nog maar één aflevering van gezien, en nu al fan!).  Geen God en Klein Pierke.  Geen Meneer Doktoor.  Geen Basta.  Geen Van Vlees en Bloed.  Geen Parelvissers.  Geen Neveneffecten… De lijst is ontstellend lang.

Meneer Vandenhaute, in Vlaanderen is op dit moment 1 op de 10 inwoners in meer of mindere mate slechthorend of doof, en dat zal er de komende jaren met de veroudering van de bevolking en het excessieve gebruik van draagbare muziekspelers, niet op verbeteren.  Da’s een pak mensen voor wie televisie kijken niet altijd even evident is.  De Vlaamse overheid erkent in haar regeringsverklaring de nood aan en het recht van deze mensen om op een gelijkwaardige manier van televisie te kunnen genieten.  Ze hebben de nodige stappen ondernomen zodat de VRT binnen afzienbare tijd zo goed als 100% toegankelijk zal zijn voor doven en slechthorenden.  De andere zenders zijn jammer genoeg nog niet zo ver, om niet te zeggen gewoon nergens (dat halfslachtige ondertitelen van al te zware accenten verhelpt daar weinig aan).  In Vlaanderen schoven dus zonder twijfel heel wat slechthorende en dove mensen ongemakkelijk in hun zetel heen en weer bij het voor u heuglijke nieuws van de aankoop van VT4 en VijfTV.

Natuurlijk, toegankelijkheid kost geld.  Economische motieven spelen bij de keuze voor of tegen bepaalde investeringen hun belangrijke rol, maar mogen niet zaligmakend zijn.   En ik heb dit argument, zeker bij commerciële zenders, nooit goed begrepen:  de investering in toegankelijkheid leidt logischerwijze juist tot méér kijkers, en dus meer opbrengsten uit reclame.  Zeker bij Woestijnvisprogramma’s die bij de VRT los over het miljoen kijkers gingen, zou de investering in toegankelijkheid, hetzij met ondertiteling, hetzij met Vlaamse Gebarentaal, hetzij met audiodescriptie voor blinde en slechtziende mensen, zichzelf juist moeten terugverdienen.   In deze waanzinnig snel veranderende technologische samenleving kan tegenwoordig heel veel, en u kan daar met uw nieuwe zender het voortouw in nemen.  Voor een al bij al vrij beperkt aandeel in de totale kost (anderen kunnen dat waarschijnlijk beter voor u berekenen dan ikzelf), kan u misschien wel zorgen voor de eerste écht toegankelijke televisiezender.  Is dat niet het overwegen waard?  Daarbij zou er dan oog zijn voor maximale ondertiteling voor het gros van de slechthorende Vlaamse bevolking, maar ook voor toegankelijkheid van de belangrijkste programma’s door het gebruik van tolken Vlaamse gebarentaal en door audiodescriptie voor blinde en slechtziende mensen.  Voor elk van deze groepen, maar zeker voor de Vlaamse Dovengemeenschap, zou dit een immense erkenning zijn van hun intrinsieke waarde als mens, én hen in staat stellen om zonder frustraties van hun favoriete televisieprogramma’s te genieten. En wie weet, met misschien binnen enkele jaren de kans voor enkele dove mediatalenten om via uw zender een eigen programma voor en door doven te maken, naar analogie van het Engelse “See Hear”?

Met vriendelijke groeten,

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder allerlei

R.E.M. quits. Een herinnering.

Ik moet ongeveer 16 geweest zijn.  Doof zijnde, had ik me tot dan geen zier aangetrokken van muziek.  Oké, enerzijds was er dan wel de schaamtelijke uitzondering van “Tien om te Zien”, aangezien ouders en broer daarnaar keken en ik niet beter wist, en anderzijds was er ook wel de iets minder schaamtelijke platenkast van mijn vader, met de rode van de Beatles en de verzamelaars van Simon & Garfunkel en van Boudewijn de Groot, maar ook met veel verschrikkelijke hoezen met panfluitspelers en Duitse titels waar elke rechtgeaarde horende of dove puber instinctmatig een bloedhekel aan heeft). Zoveel jaar later kan ik me de beelden en geluiden van Silvy Melody (De wenende telefoon! Het belachelijke roze jurkje!), Willy Sommers (met Bea! Met Anne!), Bart Kaëll (de Marie-Louise!) helaas nog veel te goed voor de geest halen. Trauma.  Ik ging in die tijd naar een “gewone” school (lees: er werd gesproken. Gebarentaal kende ik toen nog lang niet), en de schoolpauzes, avonden, weekends en vakanties werden volgepropt met een heleboel activiteiten waar vooral niet te veel communicatie voor nodig was.

Maar kleine kinderen worden groot, en mijn vrienden kregen steeds meer interesse voor heuse groepsgesprekken over allerhande puberteitsperikelen op de speelplaats, zoals die vermaledijde meisjes al die jaren voordien al deden.    En ik probeerde mee te doen.  Ik wist het eigenlijk al veel eerder, maar toen kon ik het nog wegstoppen achter sport en spel: tussen al die horende mensen kon ik niet mee. Identiteitscrisis, iemand?

Later is dat nog dik in orde gekomen, maar wist ik veel op dat moment.  Thuis groeide ik op in een zeer beschermende omgeving, met ouders die alles deden wat in hun mogelijkheden lag om mij het gevoel te geven dat ik erbij hoorde.  Op school ging alles ook allemaal vlot: fijne vriendjes om mee te spelen, verslaafd aan lezen.  Een broer die ik als speelgoed kon gebruiken. Accepteren dat de leerkracht begrijpen er soms niet in zat, en het dan maar op mijn ééntje studeren.  Everything was fine.  Tot ik dus 16 werd.

Onnodig te zeggen dat ik toen best een harde tijd meemaakte, vol zelfmedelijden en bij momenten vast ook wel wanhoop. In die tijd had ik één goede vriend bij wie ik mijn hart kon uitstorten (en nog steeds, zoveel jaar later).  Maar ik kwam er niet echt mee verder.

Op één of andere – in mijn herinnering zonnige- dag lag ik thuis in de TV wat heen en weer te zappen.  Digitale TV was toen nog onbestaande, en namiddagprogramma’s waren vaak heel wat slechter dan nu. Kwam ik op MTV terecht, waar net een videoclip (jaja, toen zonden ze op MTV nog videoclips uit!) opstartte.  En, ongezien in die tijd, het leek wel ondertiteld.  Het was de clip van Everybody Hurts.  Ik kende R.E.M. al van naam door rondslingerende CD’s van hun albums “Automatic for the People” en “Out of Time” in het klaslokaal, maar verder zei die groep me helemaal niets.  Ik raakte gefascineerd en bleef verder kijken tot de clip opnieuw tevoorschijn kwam (in tussentijd kreeg ik een korte cursus “muziek uit het begin van de jaren ’90″ erbovenop).  Het begon me te dagen dat sommige regels wel degelijk overeenkwamen met de klanken die ik hoorde, maar bij andere klopte er schijnbaar dan weer geen jota van.  En dat frustreerde.  Niet veel later vroeg ik dan ook aan die ene bijzondere vriend of hij de tekst niet eens wou opschrijven voor mij.  Hij heeft dat gedaan, en ik zette me opnieuw voor de televisie (mijn CD-collectie was op dat moment beperkt tot Tien om te Zien Deel 3 en 4.  Of iets even macabers, dus moest ik wel wachten op de TV).

Ik werd geraakt zoals ik niet wist dat muziek iemand kon raken.  En het ging over mij.  Die tekst, samen met die melodieën die ik na enkele keren beluisteren steeds beter kon vatten, haalde me helemaal ondersteboven.  De eerste regels trokken me al mee, en het bleef maar duren.

When the day is long. And the night,
the night is yours alone.
When you think you’ve had to much
of this life, well hang on.

Het was het prille begin van zoeken.  In pre-internet- en iPhone-tijden zat er niets anders op dan de CD te gaan kopen met de zuurverdiende spaarcenten, nadien naar de bibliotheek te trekken in de hoop er de teksten aan te treffen in de videotheek. Wat meestal niet het geval was.  Het bleef frustreren, en al gauw bloedde de liefde een beetje dood (want R.E.M. stak toentertijd geen songteksten bij hun CD, tot mijn grote onbegrip). Ik hield me toen maar bezig met de andere muziek te ontdekken (want mijn interesse in wat muziek kon doen was toen wél gewekt), wat een chaotische bedoening werd van liedjesteksten zoeken in de map van mijn gitaarspelende vader of in de bibliotheek – afdeling songboeken, ze te lezen en al dan niet goed te keuren, om pas daarna de bijhorende muziek te gaan zoeken in de bakken van de uitleendienst van de Mechelse bibliotheek.  Volgens mij een heel rare manier van muziek leren kennen, en het gevolg was dan ook een totaal ongestructureerde geschiedenis van de muziek, gaande van Aretha Franklin, Otis Redding, the Sax Recordings, Neil Diamond (Jonathan Livingston Seagull!) over de Eagles, Crowded House, Boudewijn de Groot en Bob Dylan tot helemaal bij ABBA (nog altijd is Super Trouper mijn ga-uit-de-bol-nummer) .  En ik bleef kijken in de bakken of de teksten van R.E.M. al beschikbaar waren. Quid non.

Dan maar naar de universiteit, waar die R.E.M.-interesse in de computerzaal van de faculteit Wetenschappen opnieuw begon op te bloeien.  In die zaal was het nieuwe interwebspeeltje dat algauw de wereld zou veroveren zomaar vrij te betreden.  En via de toenmalige summiere zoekmachine had ik in een mum van tijd de teksten gevonden.  Van alle CD’s die tot dan toe uitgekomen waren. Onnodig om te zeggen dat ik toen toch een paar lessen gebrosd heb.  “Losing My Religion” of “Cuyahoga” proberen te ontcijferen leek me stukken interessanter dan Differentiaalmeetkunde.  Het gaat te ver om te zeggen dat R.E.M. ervoor gezorgd heeft dat ik grandioos gebuisd was in mijn eerste jaar Natuurkunde aan de unief, maar dat het me meer van de cursussen heeft weggehouden dan gezond was, staat buiten kijf.  En ik wou ze zien.

Mijn wens werd verhoord toen Michael, Peter, Mike en Bill neerstreken op Torhout-Werchter in het kader van hun Monster-tournee.  Ik stond veel te ver achterin (want wou ook The Cranberries zien. Zombie, weetuwel, dat liedje dat ondertussen als oorwurm in de plooien van de geschiedenis verdwenen is), had geen idee wat ze speelden (want was de vrienden met wie ik gegaan was in de massa kwijtgeraakt. En het was überhaupt veel te donker om te kunnen zien wat ze zeiden daar in het midden van de wei.  Next times should be better. And they were. ’99 (de gietende regen! de continue bliksem! de extra lange setlist! Mike en Michael die de regen ook opzochten!) was al beter wegens dichterbij en vrienden in de buurt die heel wat liedjes kenden, en de daaropvolgende vijf concerten ben ik op voorhand met de nodige dosis lef (en ook dankzij het lef van een vriend, die eerste keer in Amsterdam) aan de setlists geraakt voor de start van het optreden.  Onnodig te zeggen dat het heerlijke ervaringen waren, met alle teksten op voorhand thuis uitgeprint en op volgorde in een map gestoken, kwestie van zeker het hele concert méé te hebben.  Klinkt angstaanjagend, nee?

Het deed me dan ook pijn te merken dat de grote massa niet meer volgde.  Sommige CD’s waren maar matig, oké (remember Reveal), maar welke groep had nu geen uitschuivers?  Mijn missioneringsdrang nam waarschijnlijk bij momenten onrustwekkende proporties aan (als mensen na zoveel jaar op facebook zeggen dat het eerste waar ze aan dachten toen ze hoorden dat R.E.M. ermee opgehouden was, bibi was, dan is dat wel even slikken), maar het was sterker dan mezelf.  Ik kende (en ken nog steeds) geen enkele band die zulke mooie melodieën en teksten met elkaar in harmonie kan brengen.  Enfin, de wereld volgde misschien niet meer, maar voor mij bleven ze dé band.  Dat nam echter niet weg dat de melodieën de stemmen soms flink in de weg stonden.  Schitterende melodieën als Flowers of Guatemala en Me in Honey bleven (wegens ook nooit live gespeeld als ik erbij was) voor mij een prachtige melodie zonder tekst, tot YouTube aan de beurt was om het internet te veroveren.  Amateur- en professionele opnames van optredens in HongKong of Milaan lieten me toe om voor het eerst ook deze laatste missing links in hun oeuvre in te vullen.  De cirkel was rond.

En vorige week heeft R.E.M. beslist dat ook voor hen de cirkel rond is.  Het ga hen goed. Bedankt.

2 reacties

Opgeslagen onder muziek

Nieuw leven

Binnenkort zal het weer zover zijn, en is het gezinnetje hier ten huize een klein meisje rijker.  Vier vrouwen (don’t forget the dog!), ben eens benieuwd wat dat gaat geven.

En dat na een verhuis. Naar Limburg, godbetert.  En met het vooruitzicht op een nieuwe job die start in november.  En wel hier.

 

En vanbinnen ziet het er zo uit.  En de collega’s die ik heb ontmoet, zijn al meer dan dik oké.

Geef toe, ik had het erger kunnen treffen met mijn nieuwe leven. Hoera!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder M'n job(s)

R.E.M. calls it a day. Damn.

Na 31 jaar en 15 albums, stopt de groep waarmee mijn muzikale opvoeding een aanvang nam, met R.E.M. te zijn.  Later schrijf ik misschien nog wel één of ander in memoriam, maar nu zou ik niet weten hoe ik mezelf moet uitdrukken. Sta me toe nog even te willen bekomen.  Toen ik het nieuws gisteren vernam, begon mijn hoofd zich te vullen met alle melodieën en teksten die de voorbije jaren zoveel voor mij betekend hebben.  Hierbij een poging tot Top-15. Dames en heren, ziehier mijn eigen persoonlijke liedjeshitparade.   Enjoy.

15. Parakeet (uit Up)

14. Electrolite (uit New Adventures in Hi-Fi)

13.  Disturbance at the Heron House (uit Document)

12.  Cuyahoga (uit Life’s Rich Pageant)

11. Living Well is the Best Revenge (uit Accelerate)

10.  Begin the Begin (uit Life’s Rich Pageant)

9.  Me in Honey (uit Out of Time)

8.  Sitting Still (uit Murmur)

7.  Überlin (uit Collapse into Now)

6.  Electron Blue (uit Around the Sun)

5. King of Birds (uit Document)

4. Losing My Religion (uit Out of Time)

3.  So. Central Rain (uit Murmur)

2. World Leader Pretend (uit Green)

1.  Nightswimming (uit Automatic for the People)

En, voor sommigen onder ons: hetzelfde liedje, maar in ASL.  Enjoy!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder muziek